Zindelijkheid en zindelijkheidstraining

Wat is zindelijkheid?

Wanneer we het hebben over zindelijkheid, bedoelen we eigenlijk altijd de zindelijkheid voor urine. Een kind is zindelijk voor urine, wanneer het volledig zelf kan bepalen wanneer en waar het wil gaan plassen. De meeste kinderen van drie plassen niet meer in hun broek. Het duurt dan vaak nog een half jaar tot een jaar, voordat het kind ’s nachts ook ‘droog’ is.

Zindelijkheidstraining is het zodanig oefenen en omgaan met het potje en het toilet, dat het kind geleidelijk aan zindelijk wordt. Van alle Nederlandse kinderen van drie jaar is driekwart overdag zindelijk en ongeveer de helft ook ’ s nachts. Van de vierjarigen is 98 procent overdag zindelijk en daarvan is 75 procent dat ook ’s nachts.

Symptomen zindelijkheid

Een kind kan pas zindelijk worden op het moment dat hij daar aan toe is. Uw kind geeft zelf aan wanneer hij zover is. Dit kan bijvoorbeeld duidelijk worden, als uw kind belangstelling toont voor het potje of het toilet en hier op eigen initiatief op wil gaan zitten. Wanneer uw kind komt vertellen dat het in zijn luier geplast of gepoept heeft, is dat ook een teken dat hij toe is aan zindelijk worden.

Hoe wordt uw kind zindelijkheid?

Om zindelijk te kunnen worden, moet uw kind een aantal ontwikkelingen doormaken, zowel op lichamelijk als emotioneel gebied.

Lichamelijke ontwikkeling De beheersing van de blaas (en darm) is een proces dat langzaam moet rijpen. Uiteindelijk nemen de hersenen geleidelijk de controle over de ruggenmergreflexen over. Deze ontwikkeling kan rond de leeftijd van tweeëneenhalf jaar leiden tot een bewuste beheersing over zowel de blaas als de darm. Dit betekent dat het vanaf nu mogelijk is om urine en ontlasting op te houden én te wachten tot er een geschikt moment of een goede plaats komt om te plassen of te poepen.

Een kind dat jonger is dan tweeëneenhalf jaar, heeft nog geen goede controle over zijn sluitspieren. Training heeft dan (dus) nog weinig zin. De rijping van het zenuwstelsel verloopt niet bij ieder kind in hetzelfde tempo, waardoor niet elk kind rond tweeëneenhalf jaar zindelijk kan worden. Soms zijn zelfs kleuters van vier jaar hier nog niet aan toe.

Emotionele ontwikkeling Kinderen moeten een aantal emotionele ontwikkelingen doormaken om zindelijk te kunnen worden. Voor jonge kinderen is de urine en de ontlasting iets wat van hen is en bij hen hoort. Tijdens het zindelijk worden, moeten kinderen de urine (of de ontlasting) bewust loslaten en dat vinden ze vaak heel eng. Pas als een kind wat verder is in zijn ontwikkeling, overwint hij deze angst en is hij emotioneel gezien in staat om zindelijk te worden.

Daarnaast moet het kind ook leren om naar het potje of het toilet te gaan, op het moment dat hij aandrang voelt. Dit kan extra moeilijk zijn voor een kind, als hij aan het spelen is en zijn speelgoed in de steek moet laten om naar het toilet te gaan. Ook dit is een ontwikkelingsproces.

Zindelijkheidstraining

U kunt uw kind op een aantal manieren helpen om zindelijk te worden.

Kennismaken met het potje U kunt uw kind alvast wennen aan het potje door hem naast de ‘grote-mensen wc’ te zetten en uit te leggen waar het voor is. Uw kind hoeft er dan nog niet op. Zo wordt het potje iets wat er nu eenmaal bij hoort. Wanneer uw kind het leuk vindt, kan hij af en toe met de kleren aan op het potje zitten, bijvoorbeeld als mama of papa ook op het toilet zit. Misschien kan de beer of de pop er ook eens op.

In de bibliotheek zijn veel kinderboekjes te verkrijgen die over zindelijkheid en het potje gaan. Hier kunt u zo af en toe eens uit voorlezen. Dokterdokter.nl heeft verderop ook een voorleesverhaaltje over zindelijk worden voor u.

Regelmatig op het potje Wanneer uw kind gewend is aan het potje, kunt u weer een stapje verder gaan. Als u vermoedt dat uw kind aandrang heeft, probeert u hem dan op het potje te zetten. Ondertussen kunt u, ok om ‘tijd te rekken’, eens een leuk verhaaltje voorlezen of een liedje zingen. Staat uw kind te snel op, probeer dan iets te vinden wat zijn aandacht heeft, zodat hij even blijft zitten.

Belonen als het lukt De ‘training’ zelf kan het beste zo positief mogelijk worden aangepakt. Het is verstandig om uw kind dus niet te lang op het potje te laten zitten. Ook kunt u hem beter niet straffen als het (nog) niet lukt. In de broek of luier plassen is niet erg.

Op het potje (of op het toilet) plassen is een prestatie. Het is belangrijk om uw kind te prijzen als dit toch lukt. Gebruik bij voorkeur kleine of niet-materiële beloningen, zoals een (extra) knuffel of aai, een verhaaltje voorlezen of het ondernemen van een leuke activiteit. Gebruik bijvoorbeeld een beloningssysteem met stickertjes bij iedere “gevulde” pot. Dit systeem met beloningsstickertjes staat spelenderwijs beschreven in het volgende voorleesverhaaltje over zindelijk worden.

Voorleesverhaaltje

Mijn potje is vol Thijs speelt in de zandbak. Hij heeft voor zijn verjaardag een nieuwe graafmachine gekregen. Hiermee maakt hij grote bergen zand. Mamma komt even bij hem kijken. ‘Lieverd, moet je niet een plas doen?’, vraagt ze. Thijs schudt nee met zijn hoofd. Plassen! Poeh, spelen in de zandbak is veel leuker, denkt hij.

De bergen zand worden nog hoger en nog hoger. Ze worden zelfs zo hoog, dat Thijs moet gaan staan. En dan voelt hij ineens iets nats en iets warms. Hij heeft in zijn broek geplast! Even wil hij gaan huilen. Het voelt helemaal niet fijn, zo’n natte broek. Maar mamma zegt altijd: ‘Het geeft niet als je in je broek plast, kan gebeuren.’ ‘Ik heb in mijn broek geplast’, zegt Thijs tegen mamma, ‘Ik wil weer een luier aan.’ Weer wil hij gaan huilen. Hij vindt het maar eng om op dat potje te moeten zitten. ‘Ik wil een luier’, zegt hij nog een keer. ‘Komt niks van in’, zegt mamma. ‘Je bent nu een grote vent van drie jaar en daarom gaan we gewoon op het potje proberen te plassen. En ik ga je daarbij helpen.’

Thijs vindt het helemaal niet leuk. Op potjes zitten is zo saai. Op een potje kun je helemaal niet spelen. Mamma zet in de keuken zijn mooie rode potje neer. Aan de muur hangt ze ook een rood potje, maar dan van papier. ‘Elke keer als je in je potje plast of poept, mag je er een stickertje op plakken. Daarna krijg je van mij een dikke zoen. En als er drie stickertjes op dat potje zitten, gaan we iets leuks doen.’ ‘Naar de speeltuin!’, roept Thijs. ‘Prima, naar de speeltuin’, zegt mamma. ‘Maar dan moet je wel drie keer iets in het potje doen.’ Thijs eet een boterham en krijgt een idee. Hij schenkt zijn beker melk in het potje. ‘Mamma!’, roept hij, ‘er ligt een plas in het potje!’ Mamma komt aan gerend. Ze ziet een plasje melk in het potje liggen. ‘Lieverd, dat is geen echt plasje!’ Dan gooit Thijs een schepje zand in het potje. Hij wil zo graag een stickertje op het potje plakken. ‘Nee, Thijs’, zegt mamma, ‘je hebt niet in je potje gepoept. Weet je wat? Ga maar rustig op het potje zitten, dan lees ik je gezellig voor.’ Mamma pakt een mooi prentenboek en leest voor. Thijs kijkt mee naar de plaatjes. En dan schrikt hij, want zijn plasje komt! ‘Plassen!’, zegt hij. ‘Heb je in je potje geplast?’, vraagt mamma, ‘laat eens kijken.’ En ja hoor, in het potje ligt een grote plas. ‘Thijs, je bent een supervent!’

Thijs kijkt in zijn potje. Het is geen melk, maar een echte plas. ‘Je hebt je eerste sticker verdiend! Thijs mag een stickertje op het rode papieren potje aan de muur plakken. En hij krijgt een dikke kus van mamma. Onder het voorlezen moet Thijs plotseling ook poepen. Hij springt van het potje af en gaat in een hoekje van de kamer staan. Hij krijgt een rood hoofd. Maar mamma heeft het gezien. ‘Thijs, kom maar terug op je potje zitten.’ Thijs wil niet, maar het moet van mamma. Hij drukt en drukt en dan valt er iets in het potje. Mamma geeft hem weer een dikke kus en weer mag Thijs een stickertje op het potje plakken. ‘Gaan we nu naar de speeltuin?’, vraagt Thijs. ‘Nee, er moeten eerst drie stickertjes op het potje zitten’, zegt mamma. ‘Ik wil plassen’, zegt Thijs.

Hij gaat op het potje zitten en maakt een heel klein plasje. Het is een echt plasje. Hij mag het laatste stickertje op het potje plakken. ‘Gaan we nu naar de speeltuin?’, vraagt Thijs. ‘Natuurlijk, dat heb ik beloofd’, zegt mamma. ‘En morgen mag je weer proberen om drie keer iets op het potje te doen.’

Mw. J.H. Kunnen-Heimans (auteur)

Aandachtspunten

Consequent zijn Als het oefenen op deze manier consequent kan worden volgehouden, lukt het vrijwel altijd om kinderen zindelijk te laten worden, overdag vóór de leeftijd van vier jaar en ’s nachts vóór het zesde jaar.

Overige aandachtspunten

  • U hoeft er geen halszaak van te maken. Een prettige en ontspannen sfeer rondom het ‘plasgebeuren’ is heel belangrijk. Het kind moet vooral niet gedwongen worden om op het potje te gaan zitten.
  • Het is raadzaam om er bij het verschonen van de luier goed op te letten, of deze nog droog (en dus licht van gewicht) is. Als dat zo is, kunt u proberen of uw kind op het potje wil gaan zitten, en eventueel wat kan produceren. U kunt hem er beter niet te lang op laten zitten, en hem ook niet te dwingen om te blijven zitten, indien hij er in uw ogen te snel weer van af wil.
  • Het is goed om uw kind in de zomer bij mooi weer, eens met blote billen buiten rond te laten lopen. Een eventuele plas wordt direct opgemerkt door uw kind, en dit kan een mooie gelegenheid zijn het (laatste restje van het) plasje op het potje te voltooien.
  • Als uw kind zindelijk aan het worden is, kunt u overstappen van luiers op luierbroekjes. Het voordeel hiervan is, dat uw kind ze zelf gemakkelijk aan en uit kan trekken. Bovendien worden deze vaak minder ‘kinderachtig’ gevonden. Daarbij komt, dat je een gewone luier na een paar keer openen, niet goed of helemaal niet meer kunt sluiten. Een luierbroekje blijft steeds goed zitten. Het enige nadeel van een luierbroekje is de prijs: ze zijn aanzienlijk duurder.
  • Zolang uw kind nog niet echt zindelijk is, maar overdag thuis vrijwel geen luier meer nodig heeft, kunt u hem er dan gerust één aantrekken, als u de deur uit moet. U kunt nog niet van uw kind verwachten, dat hij alvast een plas doet, omdat hij het straks in de auto niet kan.

Zindelijkheid, wanneer hulp zoeken?

Het is verstandig om contact op te nemen met uw huisartspraktijk, als:

  • uw kind ouder is dan zes jaar en nog niet zindelijk
  • uw kind weer regelmatig in zijn broek of bed gaat plassen, zonder duidelijk aanwijsbare oorzaak
  • het niet-zindelijk zijn samengaat met obstipatie, of met een onderbroken of slappe straal urine
  • uw kind in de eerste vijf levensjaren een blaasontsteking heeft gehad

Wat kunt u verwachten?

Ongeveer 15 procent van de vijfjarigen en 7 procent van de zevenjarigen zijn nog minstens één keer per week nat. De zogenaamde ‘ongelukjes’ tijdens het spelen komen vrij vaak voor, vooral bij jonge meisjes.

Ongewenst urineverlies bij een kind, dat al zindelijk zou moeten zijn, noemen we enuresis. We spreken van primaire enuresis wanneer een kind nog nooit droog is geweest (dit komt verreweg het meeste voor).

Van secundaire enuresis is sprake, als een kind dat al zindelijk was, plotseling weer in zijn broek of bed gaat plassen. Er is dan vaak een ingrijpende gebeurtenis aan vooraf gegaan, zoals de geboorte van een broertje of zusje, of voor de eerste keer naar school gaan.

Kinderen vanaf zes jaar die overdag en/of ’s nachts niet zindelijk zijn, kunnen door middel van speciale blaastrainingen worden geholpen. Over bedplassen leest u meer in de dokterdokter.nl folder ‘Bedplassen’.

Algemene adviezen en voorzorgsmaatregelen

Het is het beste om niet te vroeg te beginnen met zindelijkheidstraining. Als u te vroeg begint, kan dit een averechts effect hebben, waardoor uw kind juist langer in zijn broek en/of bed blijft plassen. Het (kan) ook tot andere moeilijkheden leiden. Kinderen raken soms zo bezeten van het wel of niet (mogen) plassen of poepen, dat ze ook hun ontlasting gaan ophouden. Dit kan weer verstopping, oftewel obstipatie, tot gevolg hebben.

In samenwerking met

Drs. J.A.A.M. van Schijndel (auteur) Drs. A.A.H.H. Liedtke - van Eijck (consulent)

Bronnen

  • Nederlands leerboek Jeugdgezondheidszorg, deel B: inhoud, vierde herziene druk. PB Schuil, DJA Bolscher, EA Brouwers-de Jong et al. Van Gorcum, 2000
  • David TJ e.a. Symptoomherkenning bij kinderen. Elsevier/Bunge. Maarssen 1999
  • Rens HAJ van, Aken J van. Medische Kennis. Bohn Stafleu van Loghum, Houten/Zaventem 1991
  • Woolfson RC. De pientere peuter. Cantecleer, Baarn 2001
  • Sagasser J, Schiet M. Omgaan met je kind. Tirion, Baarn 2000

Pagina laatst aangepast op 1 juli 2019


Gerelateerd