Ouderdomsslechthorendheid

Wat is ouderdomsslechthorendheid?

Bij het ouder worden gaat het gehoor, heel langzaam, achteruit dit noemt men ouderdomsslechthorendheid of presbyacusis. Vooral, en met name in het begin, wordt het horen van de hoge tonen minder bij het vorderen der jaren. Behalve dat men het geluid minder goed hoort, wordt het geluid ook vervormd. Boven de 70 jaar is meer dan de helft van de mensen slechthorend, maar dit wordt niet altijd door de betreffende persoon (of de huisartspraktijk) onderkend.

Symptomen ouderdomsslechthorendheid

Ouderdomsslechthorendheid ontstaat meestal zeer geleidelijk met het vorderen der jaren. Het waarnemen van vooral hogere tonen wordt geleidelijk aan minder. Mensen met slechthorendheid ervaren met name veel hinder in groepsgesprekken of situaties met achtergrondlawaai. Meestal gaat het bij het linker- en rechteroor vrij gelijk op.

Hoe ontstaat ouderdomsslechthorendheid?

Waarschijnlijk is ouderdomsslechthorendheid een verschijnsel van veroudering. Net als haaruitval en rimpeling van de huid. Niet leuk maar het hoort gewoon bij het ouder worden. Mogelijk heeft de totale hoeveelheid lawaai waaraan men is blootgesteld er ook mee te maken: meer lawaai geeft meer en bovendien op jongere leeftijd verlies van het horen van hoge tonen. Bij het ouder worden kan men dus op den duur fluisteren en andere zachte hoge tonen minder goed verstaan.

Is het ernstig en wat kunt u verwachten?

In principe is ouderdomsslechthorendheid niet ernstig. Het gehoorverlies is natuurlijk wel erg lastig en het kan zelfs invaliderend zijn. Gehoorrevalidatie is mogelijk met hoortoestellen, nadat eerst een gehoortest is afgenomen. Een echte ouderdomsslechthorendheid is in principe niet omkeerbaar.

Wanneer naar de huisarts?

Wanneer men veel hinder ervaart in gesprekken of vaak moeilijkheden in het communiceren ondervindt (bijvoorbeeld met telefoongesprekken en het televisie kijken) kan men een afspraak maken. Voordat de diagnose ouderdomsslechthorendheid (presbyacus) gesteld wordt moet wel nagegaan worden of er geen ander oorzaken van het gehoorverlies is. Andere oorzaken kunnen zijn:

  • propje oorsmeer in de gehoorgang
  • oorontsteking
  • de ziekte van Ménière
  • lawaaibeschadiging
  • ototoxiciteit (bepaalde medicijnen kunnen cellen in het binnenoor beschadigen)
  • otosclerose (abnormale botvorming in het oor)
  • neurinoom (aandoening van de gehoorszenuw)
  • functionele slechthorendheid

Bij een plotseling opkomende doofheid is het raadzaam de huisarts(praktijk) te raadplegen.

Wat kunt u er zelf aan doen?

Het verlies van het kunnen waarnemen van hoge tonen kan versneld worden door de blootstelling aan harde tonen. Preventie begint dus al op jonge leeftijd: voorkom dat men te veel blootgesteld wordt aan te luid geluid. Als de zintuighaarcellen (de cellen die het geluid transporteren) in het binnenoor eenmaal kapot zijn, komen ze niet meer terug.

Algemene adviezen en voorzorgsmaatregelen

Bij aangetoonde slechthorendheid dient men te streven naar verbetering van het binnenkomende geluid. Dat kan door langzamer en duidelijk spreken in de richting van betrokkene. Daarnaast kan achtergrondgeluid ('ruis') erg storend werken. Het voorkomen van achtergrondlawaai kan het waarnemen van spraak (en dus het horen) verbeteren. Een gehoorapparaat is zinvol als geluid minder hard gehoord wordt en daardoor vaak communicatieproblemen ontstaan. Het te lang uitstellen van een hoortoestelaanpassing kan de aanpassingsprocedure bemoeilijken. Wanneer de zintuighaarcellen die het geluid moeten waarnemen definitief kapot zijn, heeft het versterken van het geluid door middel van een gehoorapparaat geen zin meer.

Op Gezondheidsplein.nl lees je meer over hoortoestellen in het dossier Gehoorapparaat: soorten, functies en kosten.

In samenwerking met

Drs. F.M. Brouwer (auteur) Dr. J.A.M. Engel (consulent)

Wetenschappelijke verantwoording

  • NHG Standaard : Slechthorendheid 2014
  • Jongkees Prof. Dr. L.B.W., Keel- neus en oorheelkunde, Medica reeks Elsevier, vierde gewijzigde druk.
  • Spée F.J.M., Gehoorstoornissen bij ouderen. Tijdschrift voor Huisartsgeneeskunde 1998; 15(3): 132-7.

Pagina laatst aangepast op 25 juni 2019


Gerelateerd