Kindervaccinaties

Wat is het?

Vaccineren houdt in dat in het lichaam een natuurlijke afweerreactie tegen schadelijke ziektekiemen (virussen en bacteriën) wordt opgewekt. Verzwakte levende ziektekiemen, (stukjes) dode ziektekiemen of door ziektekiemen geproduceerde stoffen worden in het lichaam gespoten.

Het afweersysteem van het lichaam dat ons beschermt tegen zulke stoffen, reageert hierop en gaat afweerstoffen maken. Er wordt weerstand opgebouwd tegen de ziektekiemen, zonder dat de ziektes doorgemaakt hoeven te worden. Wanneer een gevaccineerd kind daarna in contact komt met één van deze ziektekiemen, zal de door vaccinatie opgebouwde afweer deze direct onschadelijk maken. Het kind is immuun en wordt daarom niet ziek.

Waarom vaccineren?

Veel mensen vragen zich af waarom kinderen nog gevaccineerd worden, want in Nederland komen de ziektes waartegen gevaccineerd wordt toch niet meer voor? Het punt is echter, dat deze ziektes niet meer voorkomen dankzij de vaccinaties. In Nederland zijn vrijwel alle kinderen gevaccineerd. De ziektekiemen kunnen niemand meer ziek maken en verdwijnen naar de achtergrond. Als steeds minder kinderen gevaccineerd zouden worden, krijgt de ziekteverwekker weer kansen. De ziektes komen dan weer gewoon terug.

Het doel van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) is het wereldwijd uitroeien het poliovirus en het mazelenvirus. Dit is eerder al succesvol gebeurd met het pokkenvirus. Om dit doel te bereiken, is echter wel vaccinatie van zoveel mogelijk mensen noodzakelijk.

Tegen welke ziektes kan gevaccineerd worden?

In Nederland kunnen kinderen kosteloos gevaccineerd worden tegen aantal ziektes. Verder kunnen onder speciale omstandigheden andere vaccinaties nodig zijn, zoals tegen griep, tegen tuberculose en vaccinaties bij reizen naar tropische landen.

De vaccinaties in het Rijksvaccinatieprogramma zijn gericht tegen:

  • difterie;
  • kinkhoest;
  • tetanus;
  • polio;
  • haemophilius Influenza type B infecties;
  • hersenvliesontsteking en bloedvergiftiging, veroorzaakt door meningokokken type C;
  • bof;
  • mazelen;
  • rodehond;
  • hepatitis B;
  • baarmoederhalskanker;
  • pneumokokkeninfecties.
  • Difterie

Difterie, vroeger ook kroep genoemd, wordt veroorzaakt door een bacterie die toxines (gifstoffen) produceert. Deze ziekte is erg besmettelijk. Difterie is te herkennen aan witte vliezen en vastzittend wit beslag in de keelholte. Weefsels in de hals en de keel zwellen op en hierdoor kunnen ademhalingsproblemen en zelfs verstikking ontstaan.

De toxinen kunnen ook het hart en het zenuwstelsel ernstig aantasten en voor blijvende schade zorgen. Ondanks behandeling overlijdt één op vijf tot één op de twintig mensen met difterie.

De kans op difterie neemt de laatste jaren mogelijk wat toe, door verspreiding van uit het Oostblok. Difterie komt daar vaker voor. Het is daarom van belang waakzaam te zijn en de vaccinaties op peil te houden. Een goed uitgevoerd vaccinatieschema geeft gedurende tien tot vijftien jaar volledige bescherming tegen difterie.

  • Kinkhoest

Kinkhoest, ook pertussis genoemd, wordt veroorzaakt door een bacterie en is erg besmettelijk. De ziekte is in het beginstadium niet te herkennen, doordat het op dat moment op een gewone verkoudheid lijkt. Later treden de kenmerkende hoestbuien op. Kinderen hoesten hierbij tientallen keren achter elkaar en worden daarbij steeds benauwder en blauwer van kleur. Dan wordt het hoesten even onderbroken en ademen kinderen met een gierend geluid in, waarna een nieuwe hoestbui volgt. Na een aantal hoestbuien, die overigens erg op het blaffen van een hond lijken, hoest het kind taai slijm op of braakt.

Deze hoestbuien zijn voor kinderen erg uitputtend en kunnen leiden tot zuurstoftekort in de hersenen, wat stuipen tot gevolg kan hebben. Kinkhoest is vooral voor jonge kinderen onder de drie maanden gevaarlijk. Naast de hoestbuien kunnen er ook apnoes zijn. Dit zijn aanvalletjes waarbij de baby stopt met ademen. In enkele gevallen moet een kind met kinkhoest op de intensive care worden opgenomen.

Als de ziekte verder zonder problemen verloopt, verdwijnen de hoestbuien na enkele weken tot maanden. Kinkhoest kan echter ook leiden tot hersenbeschadiging, longbeschadigingen of de dood. Dit overkomt ongeveer 2 procent van de kinderen met kinkhoest. Kinderen met hartafwijkingen of taaislijmziekte lopen meer risico als zij kinkhoest krijgen. De bacterie die kinkhoest veroorzaakt, is de laatste jaren veranderd waardoor de vaccinatie minder werkzaam is geworden. In 1996 en 1997 heerste er een kinkhoestepidemie in Nederland. Sindsdien komt kinkhoest meer voor dan de jaren ervoor.

Bij gevaccineerde kinderen verloopt de ziekte overigens veel milder dan bij niet-gevaccineerde kinderen. Vanwege deze ontwikkelingen is het moment van vaccineren vervroegd van drie naar twee maanden en worden alle kinderen nogmaals ingeënt op de leeftijd van vier jaar. Als er kinkhoest heerst in een gezin met een pasgeborene, dient contact opgenomen te worden met een arts om het toedienen van antibiotica te overleggen.

  • Tetanus

Tetanus, oo k wondkramp of kaakklem genoemd, is een ziekte die wordt veroorzaakt door een bacterie. Sporen van deze bacterie zijn aanwezig in straatvuil, aarde en bijvoorbeeld de bek en het maagdarmkanaal van veel dieren.

Bij een smalle, diepe wond waar vuil is ingekomen, kunnen deze sporen leiden tot uitgroei van de bacterie. Het gif (toxine) dat de bacterie maakt, kan leiden tot heftige en zeer pijnlijke spierkrampen van bijna alle spieren in het lichaam. De helft van de mensen met tetanus overlijdt, vooral door verkramping van de ademhalingsspieren, waardoor ademhalen onmogelijk wordt.

Een goed uitgevoerd vaccinatieschema geeft gedurende tenminste tien jaar bescherming tegen tetanus. Wel kan het nodig zijn dat bij bepaalde wondjes tussentijds een extra tetanusvaccinatie toegediend wordt. Daarom is het verstandig om met de huisarts te overleggen of er een extra inenting nodig is als er wonden opgelopen zijn die met straatvuil besmet zijn of bij bijtwonden. Deze inenting zorgt ervoor dat er voldoende antistoffen zijn om de toxinen onschadelijk te maken.

  • Polio

Polio, ook poliomyelitis of kinderverlamming genoemd, wordt veroorzaakt door een drietal virussen. Bij mensen die polio hebben, is het virus aanwezig in de ontlasting. Besmetting vindt plaats via de voeding bij matige tot slechte hygiëne. Het virus kan ook via de keel worden verspreid. Bij de meeste mensen verloopt polio vrijwel zonder symptomen of met alleen wat diarree. Bij één op de honderd kinderen ontstaat echter verlammingen en/of een hersenvliesontsteking.

De verlammingen kunnen aanleiding geven tot blijvende schade en handicaps. Als een verlamming optreedt in bijvoorbeeld de ademhalingsspieren, kan dit leiden tot de dood. Er is geen behandeling voor polio; alleen langdurige bedrust kan de prognose wat verbeteren. De helft van de mensen die polio heeft gehad, ontwikkelt dertig tot veertig jaar later het zogenaamde postpoliosyndroom. Dit leidt tot een verscheidenheid aan spierklachten en vermoeidheid. Een goed uitgevoerd vaccinatieschema geeft levenslang volledige bescherming tegen het oplopen van polio in Nederland. Bij het reizen naar landen met een verhoogd risico op poliobesmetting wordt hervaccinatie aangeraden als de laatste vaccinatie langer dan 15 jaar geleden.

  • Bof

Bof, ook parotitis epidemica genoemd, wordt veroorzaakt door een virus. Een infectie met dit virus kan geheel zonder symptomen verlopen. In veel gevallen echter ontstaat een zwelling van de oorspeekselklier, te zien aan een opgezette wang en een afstaand oor. Het kind is dan gedurende een week ziek. Deze ziekte, die niet behandeld kan worden, verdwijnt meestal weer vanzelf. Eén tot tien procent van de kinderen met bof krijgt een hersenvliesontsteking. Soms ontstaan zaadbal- of eierstokontstekingen die kunnen leiden tot vruchtbaarheidsstoornissen.

Daarnaast kan de bof leiden tot blijvende doofheid. Een goed uitgevoerd vaccinatieschema geeft bij 95 tot 100 procent van de kinderen volledige bescherming tegen bof.

  • Mazelen

Mazelen wordt veroorzaakt door een virus. Kinderen zijn eerst flink ziek en ontwikkelen in aansluiting daarop hoge koorts en een zich snel uitbreidende huiduitslag. Vaak zijn er de zogenaamde vlekjes van Koplik: witte plekjes op het slijmvlies aan de binnenkant van de wangen. Deze worden overigens lang niet altijd opgemerkt. Tenminste één op de tien kinderen krijgt complicaties, restverschijnselen of overlijdt. In Nederland komt mazelen nog steeds voor, meestal in gemeenschappen waarin kinderen niet of onvoldoende worden gevaccineerd. De laatste jaren komt mazelen steeds vaker voor in populaire vakantiebestemmingen. Een goed uitgevoerd vaccinatieschema geeft levenslang bijna volledige bescherming tegen de mazelen.

  • Rodehond

Rodehond, ook rubella genoemd, is een erg besmettelijke ziekte die wordt veroorzaakt door een virus. Voor kinderen is het meestal een onschuldige ziekte die vaak onopgemerkt verloopt. Wanneer een vrouw echter tijdens haar zwangerschap besmet w o rdt met rodehond, kan dit leiden tot ernstige complicaties voor de ongeboren vrucht. Zwangere vrouwen doen er dus goed aan deze situatie te vermijden. Vroeger werden alleen meisjes gevaccineerd tegen rodehond. Tegenwoordig gebeurt dit bij alle kinderen tweemalig, omdat hiermee voorkomen kan worden dat het virus zich verder verspreidt. Een goed uitgevoerd vaccinatieschema geeft gedurende de gehele vruchtbare leeftijd vrijwel volledige bescherming tegen rodehond.

  • Hersenvliesontsteking

De Haemophilius Influenza type B en meningokokken type C zijn belangrijke veroorzakers van hersenvliesontsteking op de kinderleeftijd. Bij jonge kinderen kan hersenvliesontsteking zich uiten als slecht drinken, sufheid en bleek zien. Het verwisselen van de luier kan extreem pijnlijk zijn. Oudere kinderen klagen over hoofdpijn en nekpijn. Als hersenvliesontsteking snel wordt herkend en behandeld, kan het kind genezen. Soms is dit echter niet het geval en kunnen restverschijnselen blijven bestaan (bijvoorbeeld doofheid of leerstoornissen) of sterft het kind aan de ziekte.

Deze bacteriën kunnen ook een bijzonder verraderlijke bloedvergiftiging veroorzaken. Verschijnselen van luierpijn of nekstijfheid kunnen dan afwezig zijn. Een alarmverschijnselen zijn de kleine bloeduitstortinkjes, vooral in plooien en drukplaatsen. Deze vlekjes verdwijnen niet als je er met een doorzichtig glas op drukt.

  • Hib

De bacterie Haemophlius Influenza type B (Hib) kan naast hersenvliesontsteking, ook leiden tot een levensgevaarlijke ontsteking van het strottenklepje en ontstekingen elders in het lichaam. De hersenvliesontsteking die door de Hib wordt veroorzaakt, is ernstig en kan leiden tot de dood of restverschijnselen veroorzaken. De vaccinatie beschermt vrijwel volledig tegen deze infectie.

  • Meningokokken

Tien procent van de Nederlanders draagt meningokokken met zich mee, in de neusholte en de keelholte. Toch zijn er maar weinig mensen die ziek worden van deze bacterie. Hoe dit komt, is niet bekend. Er is een aantal typen meningokokken te onderscheiden. In Nederland komen met name type B en type C de laatste jaren steeds vaker voor. Hersenvliesontsteking door meningokokken kan gepaard gaan met een ernstige bloedvergiftiging. Het kind ontwikkelt dan naast de symptomen van de hersenvliesontsteking overal op het lichaam grote of kleine blauwpaarse vlekken. Alleen tegen meningokokken van type C bestaat een vaccin dat ook bij jonge kinderen werkzaam is; een vaccin tegen type B is in ontwikkeling.

De gevallen van hersenvliesontsteking in Zevenbergen en Klundert in de zomer van 2001 werden veroorzaakt door meningokokken type C. Vanaf 13 augustus 2001 zijn daarom alle kinderen die in deze gemeenten wonen of naar school gaan hiertegen gevaccineerd. In 2002 is er een landelijke vaccinatiecampagne gehouden tegen meningokokken C (1-19 jaar). Vanaf september 2002 is het vaccin in het programma opgenomen voor alle kinderen van 14 maanden oud. In Nederland kunnen kinderen standaard gevaccineerd worden tegen ziektes veroorzaakt door de Hib en meningokokken type C.

Vaccinatie tegen andere verwekkers van meningitis gebeurt alleen door de huisarts op initiatief (en op eigen kosten) van de ouders. Waarschijnlijk wordt over een aantal jaren het vaccinatieprogramma uitgebreid met vaccinaties tegen meningokokken type B en pneumokokken. Deze komen dan in hetzelfde vaccin als de Hib en de menC: kinderen hoeven dan dus niet vaker geprikt te worden dan nu het geval is.

  • Pneumokokken

Middenoorontsteking bij kinderen wordt vaak veroorzaakt door een pneumokok. In sommige gevallen verspreidt deze bacterie zich uit de keel of via het oor verder het lichaam naar de hersenvliezen. Dan kan een hersenvliesontsteking die ontstaan die in een aantal gevallen tot de dood leidt. Veertig procent van de kinderen houdt ernstige restverschijnselen over aan deze ontsteking. Pneumokokken zijn met name gevaarlijk voor kinderen onder de twee jaar en kinderen of volwassenen die geen milt hebben. Er is een vaccin beschikbaar dat beschermt tegen 10 typen van de bacterie;deze zijn verantwoordelijk voor het ongeveer 60% van de ziektegevallen in Nederland.

  • Hepatitis B

Hepatitis B, ook geelzucht genoemd, is een leverontsteking die veroorzaakt wordt door een virus. Kinderen waarvan de moeder draagster is van het hepatitis B virus of waarvan één of beide ouders afkomstig zijn uit een land waar veel hepatitis B voorkomt, lopen risico om besmet te raken. Hepatitis B kan leiden tot ernstige chronische leveraandoeningen. In Nederland worden sinds enkele jaren alle kinderen gevaccineerd tegen hepatitis B.

De vaccinaties vinden plaats op de leeftijd van 2, 4 en 11 maanden en kunnen gelijkertijd met de DKTP-Hib vaccinatie gegeven worden. Omdat sinds 1 maart 2003 inmiddels de DKTP en Hib in een spuit worden toegediend, moeten er twee prikken gegeven worden op het consultatiebureau. Kinderen van besmette moeders krijgen daarnaast direct na de geboorte nog antistoffen tegen het virus toegediend. Deze antistoffen beschermen het kind de eerste weken tegen besmetting. Een goed uitgevoerd vaccinatieschema, geeft waarschijnlijk een levenslange bescherming tegen hepatitis B.

  • Tuberculose

Tuberculose (TBC), vroeger ook tering genoemd, wordt veroorzaakt door een bacterie. De bacterie kan veel organen in het lichaam aantasten, met name de longen. Mensen waarbij de ziekte is doorgedrongen tot in de kleine vertakkingen van de luchtpijp, hebben ‘open TBC’ en kunnen anderen besmetten. Kinderen worden gemakkelijker besmet dan volwassenen en krijgen met name gevaarlijke infecties van andere organen dan de longen.

Tuberculose kan bij tijdige herkenning behandeld worden; deze behandeling is langdurig. Daarnaast wordt de bacterie steeds ongevoeliger voor de medicijnen. Zonder behandeling overlijdt ongeveer de helft van de mensen met TBC. In Nederland worden kinderen die een verhoogde kans lopen op tuberculose gevaccineerd. Dat zijn kinderen waarvan de ouders uit een land komen waar TBC vaak voorkomt (bijvoorbeeld Marokko, Turkije en Somalië) en daar regelmatig naar terug gaan.

Eén vaccinatie is voldoende en geeft tenminste 10 tot 15 jaar, ongeveer 70 procent bescherming tegen tuberculose. Op de plaats van de inenting (de schouder) ontstaat een zweertje dat enkele weken aanwezig kan blijven. Soms is er in de buurt van de inenting sprake van een reactie van de lymfeklieren (bijvoorbeeld onder de oksel), hier hoeft u zich geen zorgen over te maken. Het trekt na verloop van tijd vanzelf weg en er is vrijwel nooit een behandeling nodig.

  • Griep

Griep wordt veroorzaakt door het Influenzavirus. Voor gezonde mensen is griep meestal ongevaarlijk. Deze mensen zijn een week flink ziek en worden daarna beter. Gedurende enkele weken kan vermoeidheid blijven bestaan. Bij kinderen met een chronische ziekte, zoals een hartafwijking, taaislijmziekte, astma of nierafwijkingen, kan griep wel ernstig verlopen. Zij ontvangen elk jaar via de huisarts een oproep voor de griepprik. Dit moet jaarlijks gebeuren, omdat het griepvirus steeds een beetje verandert. De griepprik van vorig jaar werkt bijvoorbeeld niet meer tegen de griep van dit jaar. De griepprik beschermt ongeveer gedurende een jaar voor 75 procent tegen griep.

  • Baarmoederhalskanker (HPV)

Baarmoederhalskanker wordt verzoorzaakt door het humaan papillomavirus. Meisjes krijgen in het jaar dat ze 13 worden een uitnodiging voor de eerste prik. De serie bestaat uit 2 prikken. De 2 prik wordt ongeveer een half jaar later gegeven. De prik verminder de kans op het krijgen van baarmoederhalskanker met 70%.

Wat houdt het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) in?

In 1957 is het Rijksvaccinatieprogramma ingevoerd met als doel de volksgezondheid in Nederland te bevorderen en te beschermen. Momenteel worden meer dan 95 procent van alle kinderen gevaccineerd volgens het RVP. Dat komt neer op circa tweeëneenhalf miljoen vaccinaties per jaar. Deze vaccinaties worden gratis gegeven en betaald uit de AWBZ (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten).

Sinds de invoering is het RVP regelmatig gewijzigd. Het programma wordt samengesteld door de minister van Volksgezondheid, Veiligheid en Sport. Hij of zij wordt daarbij geadviseerd door de gezondheidsraad. De gezondheidsraad baseert zich op resultaten van wetenschappelijk onderzoek dat over de gehele wereld wordt uitgevoerd.

Momenteel ziet het Rijksvaccinatieprogramma er als volgt uit:

Leeftijd Vaccinatie
2 maanden DKTP-Hib-HepB-Pneu
3 maanden DKTP-Hib-HepB
4 maanden DKTP-Hib-HepB-Pneu
11 maanden DKTP-Hib-HepB-Pneu
14 maanden BMR en Men C
4 jaar DKTP
9 jaar DTP en BMR
13 jaar meisjes HPV 2x

Verklaring van afkortingen:

  • DKTP-HiB: vaccin tegen difterie, kinkhoest, tetanus, polio en infectieziekten veroorzaakt door de Haemophilius influenza type B;
  • HepB: vaccin tegen hepatitis B;
  • DTP: vaccin tegen difterie, tetanus, polio;
  • BMR: vaccin tegen bof, mazelen en rodehond;
  • MenC: vaccin tegen meningokokken type C;
  • Pneu: vaccin tegen pneumokokken
  • HPV: vaccin tegen baarmoederhalskanker

Zodra een kind na de geboorte bij de gemeente wordt aangegeven, gaan de gegevens naar de Regionale Entadministratie. Van hieruit worden de oproepen voor de vaccinaties verstuurd naar de ouders.

De vaccinaties worden gegeven door de consultatiebureaus en de afdelingen jeugdgezondheidszorg van de GGD’s. Recent zijn zij er door de Inspecteur-generaal van de Inspectie gezondheidszorg op gewezen, dat het Rijksvaccinatieprogramma bedoeld is voor het vastgestelde schema. Uitstel zou alleen op strikt medische indicatie moeten worden gekozen omdat anders het effect van het programma gevaar loopt.

Ouders die hun kind middels een ander schema willen laten vaccineren, kunnen dit laten doen door de huisarts (op eigen kosten). In het geval dat ouders hun kind helemaal niet willen laten vaccineren, moeten zij daar zelf de volledige verantwoordelijkheid voor nemen.

Wat zijn de verschijnselen na vaccinatie?

Een kind kan na een vaccinatie bepaalde verschijnselen vertonen. Deze verschijnselen worden hier per vaccinatie besproken.

  • DKTP-Hib-hepatitis B-vaccinatie

Ongeveer drie uur na de vaccinatie kan uw kind slaperig, hangerig of huilerig worden. De temperatuur kan oplopen. Als uw kind heftig huilt of pijn heeft, kunt u een paracetamolzetpil geven. Voor koorts is dat meestal niet nodig. Het is dan beter om uw kind koel te kleden, zodat de temperatuur op natuurlijke manier kan dalen.

Bij koorts is het belangrijk, dat u uw kind veel laat drinken. De verschijnselen zijn meestal na een dag over. Tot een aantal dagen na de vaccinatie kan het plekje op het been of de arm waar geprikt is, rood, warm en gezwollen zijn. Dit kunt u zoveel mogelijk voorkomen, door meteen na de vaccinatie de prikplek te masseren.

Bij zuigelingen die in de beentjes zijn geprikt, kunt u fietsbewegingen maken met de beentjes, terwijl uw kind op zijn rug ligt. Hiermee zorgt u ervoor dat het vaccin beter verdeeld wordt in de spier en minder irritatie zal geven. Een met lauw water nat gemaakt washandje op de zere plek kan ook verlichting geven. Vanaf ongeveer drie uur na de vaccinatie kunt u beter van het plekje afblijven. Het is dan erg gevoelig.

Zijn er bijzonder heftige of onverwachte verschijnselen, raadpleegt u dan de huisarts. Er kan na een vaccinatie ook een ander ziekte optreden die er niets mee te maken heeft, maar mogelijk wel behandeld moet worden.

  • BMR-vaccinatie

Het BMR-vaccin wordt meestal in de bovenarm gespoten. De vloeistof prikt en geeft een branderig gevoel. De meeste kinderen vinden dit erg onaangenaam. Na een aantal seconden trekt dit gevoel weg.

De eerste dagen na de vaccinatie heeft uw kind nergens last van. Ergens tussen de vijfde en de twaalfde dag na de prik kan uw kind zich niet zo lekker voelen, koorts en huiduitslag krijgen. Bij koorts is het belangrijk dat u uw kindje wat meer laat drinken dan anders, en dat u uw kind luchtig kleedt zodat de temperatuur op een natuurlijke manier verlaagd wordt. Ook hier geldt dat bij onverwachte of ernstige verschijnselen, de huisarts gewaarschuwd moet worden.

  • Meningitis C-vaccinatie

Een aantal uren na de vaccinatie kan de plek waar geprikt is rood, warm en dik worden. De plek is gevoelig en uw kind vindt het niet prettig wanneer hij daar wordt aangeraakt.

Uw kind kan meer slapen dan anders of juist moeite hebben om in slaap te komen. Milde maag-darmverschijnselen (diarree, spugen) en een tijdelijke vermindering van de eetlust kunnen voorkomen. Ook bij dit vaccin geldt dat u bij onverwachte of ernstige verschijnselen de huisarts moet waarschuwen.

  • DTP-vaccinatie

Na de DTP-vaccinatie kan de injectieplaats rood, warm, dik en gevoelig worden. Uw kind kan zich niet zo lekker voelen en koorts krijgen.

  • Pneumokokken-vaccinatie

Na de vaccinatie kan de injectieplaats pijnlijk, rood en gezwollen zijn. Uw kind kan erg huilen en soms is er koorts.

  • HPV-vaccinatie

De injectieplaats kan soms pijnlijk, rood en gezwollen zijn. Soms ontstaat er koorts. Er zijn geen ernstige bijwerkingen bekend.

Complicaties van vaccinaties Bij een klein deel van de kinderen die jaarlijks gevaccineerd worden, treden complicaties op. Het gaat dan bijvoorbeeld om heftige lokale verschijnselen (rondom de prikplek), collapsreacties (een soort flauwvallen), (koorts)stuipen bij daarvoor gevoelige kinderen en bijzonder heftig huilen of verkleuringen aan de benen.

Volgens de huidige inzichten treedt hierbij geen blijvende schade op. Bij enkele kinderen treden ernstigere complicaties op die een ziekenhuisbehandeling noodzakelijk maken.

Er wordt nog steeds onder zoek verricht om een manier te vinden om deze complicaties te voorkomen. Het is echter wel goed om u te realiseren dat de kans op complicaties vele tientallen tot honderden malen groter is wanneer het kind niet gevaccineerd is en één van deze ziektes doormaakt. Het is erg belangrijk dat wanneer uw kind een heftige reactie doormaakt na de vaccinatie dit te overleggen met uw huisarts.

Wanneer de reactie daadwerkelijk op de vaccinatie lijkt te berusten, wordt dit door de consultatiebureauarts, de schoolarts, de huisarts of de kinderarts gemeld bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In overleg met een daar aangestelde arts wordt bekeken wat voor het betrokken kind het beste vaccinatieprogramma is en welke voorzorgsmaatregelen er eventueel getroffen moeten worden.

Het RIVM geeft jaarlijks een overzicht uit over de binnen gekomen meldingen. Regelmatig doen berichten de ronde, dat vaccinaties kunnen leiden tot ernstige ziekten en afwijkingen.

Wetenschappelijke onderzoeken tonen niet aan dat vaccineren de kans op allergieën, astma, diabetes, kanker of andere ziektes verhoogt. Nieuwe signalen worden vanzelfsprekend goed onderzocht. Voor de BMR-vaccinatie is recentelijk aangetoond dat er geen verband is tussen de vaccinatie en het ontstaan van darmziekten of autisme.

Het vermoeden van een verband tussen ziek worden en een vaccinatie kan ontstaan als een kind ziek wordt kort nadat het een vaccinatie gekregen heeft. De kans dat dit gebeurt is in het algemeen al groot omdat kinderen regelmatig gevaccineerd worden en in de kinderjaren veel virale infecties doormaken.Het is logisch dat ouders zoeken naar een verklaring en vaccinaties kunnen dan voor de hand liggen. Het is goed dat u zich realiseert dat wetenschappelijk er geen verbanden zijn aangetoond, en in een heel aantal gevallen ook weerlegd zijn.

Wel of geen vaccinatie?

Meer dan vijfennegentig procent van de ouders laat hun kinderen inenten. Er zijn echter wel steeds meer ouders die dat niet meer vanzelfsprekend vinden. Zij vinden hierin vaak steun bij de vereniging Kritisch Prikken en een aantal alternatieve genezers. Deze adviseren alleen volledig gezonde kinderen te laten inenten en dan meestal in een wat afwijkend schema. Ouders die dat willen maken dit kenbaar op het consultatiebureau.

De artsen en verpleegkundigen daar zijn echter van mening, dat het kind beter wel gevaccineerd kan worden en gewoon volgens het schema. De ouders kunnen het gevoel hebben zich tussen twee kampen te bevinden en weten vaak niet wat ze nu moeten doen.

Ook is er een groep mensen in Nederland die hun kinderen helemaal niet laat inenten op religieuze gronden of andere levensvisie.

Een polio-epidemie in 1992 en een recentere mazelen epidemie maakt duidelijk welke gevolgen dit kan hebben. Het streven van WHO om bepaalde ziektes uit te bannen, komt hiermee onder druk te staan. De medewerkers van het consultatiebureau baseren zich op de wetenschappelijk onderbouwde informatie van het RVP. Daarin zijn ook een aantal contra-indicaties opgenomen. Dat zijn situaties waarin kinderen beter (nog) niet gevaccineerd kunnen worden. Dit betreft met name kinderen die overgevoelig zijn voor één van de bestanddelen van de vaccinatie.

Vaccinaties kunnen bijvoorbeeld worden uitgesteld als een kindje koorts heeft, of net een ernstige infectieziekte doormaakt. In een enkel geval wordt besloten kinderen (een aantal) vaccinaties (voorlopig) niet te geven. Dat is bijvoorbeeld het geval bij kinderen die worden behandeld met geneesmiddelen die het afweersysteem onderdrukken of die aan leukemie lijden.

Soms zal de vaccinatie enige tijd worden uitgesteld om ongestoord door de prikken te kunnen vaststellen welk ziektebeeld een kind heeft, bijvoorbeeld bij onbegrepen neurologische klachten. De arts heeft tijdens de opleiding en bijscholingen geleerd in welke gevallen kinderen later of niet gevaccineerd mogen worden. Op de meeste consultatiebureaus is literatuur aanwezig waarop de arts in twijfelgevallen kan terugvallen; daarnaast is er altijd de mogelijkheid deskundigen te raadplegen.

Al met al zijn er zijn maar heel weinig redenen waarom een kind blijvend niet gevaccineerd mag worden. Er wordt soms gesuggereerd dat alleen gezonde kinderen ingeënt zouden moeten worden. Dit is volstrekt onjuist. Juist de zwakkere kinderen hebben de vaccinaties extra hard nodig.

Als zij een ernstige ziekte doormaken, lopen zij extra risico op het krijgen van complicaties. Later beginnen is ook maar zelden nodig en meestal niet verstandig. Het afweersysteem van jonge zuigelingen is goed in staat om op de vaccinaties te reageren. Daarnaast zijn kinderen pas vanaf de derde serie prikken goed beschermd tegen de ziektes.

Ook bij kinderen die te vroeg zijn geboren, is het niet raadzaam om de vaccinaties uit te stellen. Ook deze kinderen hebben ze erg hard nodig: zij kunnen nog niet voldoende weerstand bieden tegen ziektes en lopen daardoor meer kans op complicaties. Te vroeg geboren kinderen hebben juist ook minder moederlijke bescherming meegekregen, omdat juist in de laatste weken van de zwangerschap de meeste antistoffen via de moederkoek naar het kind worden overgedragen. Vaccineren geeft bij vroeggeborenen niet meer kans op bijwerkingen dan bij op tijd geboren kinderen.

Uiteraard bent u vrij in de keuze of u uw kinderen laat vaccineren of niet. U moet zich echter wel realiseren dat de vaccinaties alleen vergoed worden, als u ze in het juiste schema laat uitvoeren. Uitsluitend afwijkingen op strikt medische indicatie zijn toegestaan. Als steeds meer ouders hun kinderen niet of niet volledig laten vaccineren, zullen de ziektes die uit Nederland praktisch waren verdwenen, weer terugkomen. De niet-gevaccineerde kinderen lopen daarbij een aanzienlijk risico. De Nederlandse artsen en de Engelse wetenschappelijke vereniging van homeopathische artsen raden daarom aan, om in principe ieder kind te laten vaccineren volgens het normale programma.

In samenwerking met

Drs. A.A.H.H. Liedtke - van Eijck (auteur) Dr. J.A.M. Widdershoven (consulent) Drs. P. Vermeer (consulent)

Bronnen

  • ww.rivm.nl
  • Eekhof JAH,Knuistigh Neven A, Opstelten W. Kleine kwalen in de huisartsenpraktijk zesde druk 2013. Reed business education, Amsterdam
  • Symptoomherkenning bij kinderen. T.J. David. Maarsen: Elsevier Bunge, 1999.

Pagina laatst aangepast op 24 juni 2019


Gerelateerd