Hondsdolheid

Wat is hondsdolheid (rabiës) ?

Hondsdolheid (rabiës) is een virusinfectie van de hersenen. Het virus wordt overgedragen door besmette dieren. In 99% van de gevallen zijn honden de verspreider. Zonder behandeling verloopt  rabiës (hondsdolheid) dodelijk. Het virus komt praktisch over de hele wereld voor, behalve in Antartica, Nieuwe Zeeland en Japan. Jaarlijks sterven er 55.000 mensen aan rabiës (hondsdolheid). In Nederland komt rabiës (hondsdolheid) voornamelijk bij vleermuizen voor. In Nederland zijn er de afgelopen 40 jaar slechts enkele gevallen onder mensen geconstateerd. Het betrof steeds mensen die in het buitenland waren geinfecteerd. In de meeste (sub) tropische landen komt rabiës (hondsdolheid) vaker voor. Fietsen in deze landen vormt een extra risico door de grotere kans op hondebeten.

Symptomen van hondsdolheid (rabiës)

De besmetting vindt meestal plaats door een krab of beet van een besmet dier. Zonder behandeling  ontwikkelen zich tussen de 20 en 60 dagen na besmetting klachten. Deze tijd is afhankelijk van de plaats van de beet of krab ten opzichte van het centraal zenuwstelsel ( hersenen en ruggenmerg). Hoe verder weg, hoe langer het duurt. De klachten zijn in het begin vaak niet specifiek. Het kan gaan om koorts, ziek voelen, minder eetlust, braken en hoofdpijn. Wanneer het virus het centraal zenuwstelsel heeft bereikt ontstaan er neurologische klachten, zoals krampen en verlammingen. Door slikproblemen kan er schuim rond de mond komen. Uiteindelijk raakt de patient in coma en komt te overlijden.

Hoe ontstaat hondsdolheid (rabiës) ?

Rabiës (hondsdolheid) ontstaat na besmetting met het rabiesvirus. Het virus wordt verspreid via besmette dieren. Door een beet of krab kunnen deze het virus overdragen. Het virus verplaatst zich in de loop van enkele weken van de wond naar het centrale zenuwstelsel ( hersenen en ruggemerg). Als het virus daar aangekomen is ontwikkelen zich de neurologische symptomen.

Is het ernstig en wat kunt u verwachten?

Hondsdolheid (rabiës) is onbehandeld een dodelijke ziekte. Na een mogelijke besmetting moet zo snel mogelijke gestart worden met de behandeling (post-expositie profylaxe). Als er eenmaal klachten zijn is behandeling niet meer mogelijk. Een post-expositie behandeling bestaat uit een serie van 5 vaccins en een injectie met antiserum. Deze serie moet in een periode van een maand gegeven worden. In Nederland zijn deze vaccinaties goed verkrijgbaar. Helaas is dat in veel tropische landen niet het geval.

Wanneer naar de huisarts?

De kans om in Nederland besmet te worden is nihil.  Besmetting vindt vooral plaats in landen waar rabiës (hondsdolheid) endemisch is. Wanneer u gebeten, gekrabt of gelikt bent door een verdacht dier neem dan altijd contact op met een arts.  Doe dit snel, hoe sneller de behandeling start hoe beter.  Neem ook contact op met uw huisarts wanneer u terugkomt van een reis en er contact geweest is met een mogelijk besmet dier. Hij kan in overleg met de GGD bekijken of alsnog vervolgprikken nodig zijn.

Wat kunt u er zelf aan doen?

Maak na een beet of krab van een dier direct de wond goed schoon met water en zeep en ontsmet de wond met betadine of alcohol 70%. Zoek vervolgens zo snel mogelijk medische hulp. Bij voorkeur in een ziekenhuis.

Algemene adviezen en voorzorgsmaatregelen?

  • Vermijd contact met zoogdieren in gebieden waar rabiës (hondsdolheid) voorkomt;
  • Raak zieke of dode dieren niet aan;
  • Overweeg  je te laten vaccineren voor je een reis gaat ondernemen naar een land waar rabiës (hondsdolheid) vaker voorkomt, dit is zeker aan te raden wanneer je daar drie manden of langer verblijft, wanneerje gaat werken met zoogdieren en wanneer je van plan bent fietstochten te gaan maken.

Een vaccinatieserie bestaat uit drie prikken, die in een periode van drie weken gegeven worden. Ondanks deze vaccinatie moeten er na een wond of beet van een mogelijk besmet dier alsnog aanvullende prikken gegeven worden.

Het voordeel van vaccinatie vooraf is:

  • na een beet is er geen antiserum nodig
  • na een beet heeft u slechts 2 injecties nodig in plaats van 5.
  • na een beet heeft wat meer tijd eer de prikken gegeven moeten worden

In samenwerking met

Wim van Donselaar, reizigersgeneeskundige

Bronnen

  • RIVM
  • Richtlijnen LCR
  • Gompel AML van, Sonder GJB. Reizen en ziekte, 2010, BSN, Houten

Pagina laatst aangepast op 1 juli 2019


Gerelateerd