Fobie

Aandoening 3 april 2016

Wat is een fobie?

Een specifieke fobie is een intense angst voor een bepaalde situatie, object of dier. De angst is zo sterk, dat iemand de gevreesde situatie vermijdt. Bekende fobieën zijn hoogtevrees en vliegangst. Andere veel voorkomende fobieën zijn: spinnenfobie, onweerfobie, fobie voor injecties, bloedfobie en tandartsfobie. Bij een ziektefobie (de angst om een ernstige ziekte te krijgen) is het belangrijk om na te gaan of de angst inderdaad gericht is op het krijgen van een ziekte. Als de angst niet alleen gericht is op het krijgen van een ziekte, maar men daadwerkelijk het gevoel heeft de ziekte al te hebben, wordt gesproken van hypochondrie.

Iemand met een fobie is zich ervan bewust dat de angst niet in verhouding staat tot het reële gevaar. Mensen met een spinnenfobie vinden een spin bijvoorbeeld doodeng, maar zij begrijpen dat een spin in werkelijkheid ongevaarlijk is. Er is pas sprake van een fobie als het dagelijkse leven hier in meer of mindere mate door wordt ontregeld. Een fobie heeft dus meer om het lijf dan iets een beetje ‘eng’ vinden. Fobieën komen veel voor. Geschat wordt dat ongeveer één op de tien mensen minstens eenmaal in zijn leven last heeft van een fobie.

Symptomen fobie

Angst en vermijdingsgedrag zijn kenmerken die altijd bij een fobie voorkomen. Confrontatie met het gevreesde object, dier of situatie roept een intense angst op. Niet alleen de confrontatie roept angst op, de voorstelling van het gevreesde object is vaak al voldoende om een angstreactie uit te lokken.

Mensen verschillen in de wijze waarop zij hun angst uiten. Soms, zoals bij mensen met een bloedfobie, is er geen sprake van angst, maar eerder van walging. Andere mensen ervaren niet zozeer het gevoel van angst, maar veel meer de lichamelijke reacties die bij angst horen, zoals trillen, zweten en hartkloppingen. Deze reacties ontstaan door activering van het sympathische zenuwstelsel. Activering van het sympathische zenuwstelsel leidt ertoe, dat het lichaam zich klaarmaakt voor actie. Het lichaam bereidt zich hiermee voor op het ontsnappen aan het gevreesde object, bijvoorbeeld een auto of een spin. Bij sommige fobieën (de bloedfobie en injectiefobie) kan de sympathische reactie (hartkloppingen, snel ademen, enzovoort) direct gevolgd worden door een tegengestelde reactie. Er ontstaat een bloeddrukdaling en de persoon kan flauwvallen. Zoals gezegd, naast angst treedt vrijwel altijd vermijdingsgedrag op. Hierbij gaan mensen datgene wat zij eng vinden uit de weg: zij vermijden de bron van hun angst.

Hoe ontstaat een fobie?

Specifieke fobieën ontstaan meestal op jonge leeftijd. Zo ontstaat de tandartsfobie meestal rond de leeftijd van twaalf jaar en de bloedfobie rond negen jaar. Angsten voor specifieke objecten of dieren komen vooral bij kinderen voor en ze verdwijnen meestal weer spontaan. Bij sommige kinderen verdwijnen deze ‘normale’ angsten niet vanzelf. Er wordt vanuit gegaan dat verschillende factoren hiervoor verantwoordelijk zijn. Een belangrijke factor is hoe ouders omgaan met de angst van hun kind. Als ouders zelf ook schrikken van het gevreesde object, zullen kinderen dit gedrag nadoen, ofwel ‘imiteren’. Ook negatieve informatie en negatieve ervaringen (zoals gebeten zijn door een hond) kunnen ervoor zorgen dat de angst overgaat in een fobie.

Fobieën kunnen ook op volwassen leeftijd ontstaan. Meestal ontstaat een fobie naar aanleiding van een traumatische ervaring. Iemand die een negatieve ervaring met iets heeft, blijft hiervoor een specifieke angst houden. Iemand heeft bijvoorbeeld een ernstig auto-ongeval meegemaakt en blijft angst houden om zelfstandig te rijden. Vervolgens zal deze persoon niet meer autorijden, om daarmee zijn angst te vermijden.

Vermijdingsgedrag speelt een cruciale rol bij het in stand houden van een fobie. Door het gevreesde object uit de weg te gaan, ontstaat ‘winst’ op korte termijn, namelijk een vermindering van angst. Echter, op den duur zal de angst juist toenemen. Immers, mensen die angstige situaties gaan vermijden, komen er niet meer achter dat er geen werkelijk gevaar is. Zodoende wordt de angst in stand gehouden of zelfs verergerd. Een bijkomend verschijnsel is dat van de selectieve aandacht. Mensen selecteren onbewust de informatie die het gevaar bevestigt en negeren de ‘veilige’ informatie. Bijvoorbeeld, bij vliegangst weet iemand onmiddellijk dat ene vliegtuig te noemen dat is neergestort en negeert alle andere vliegtuigen die gewoon veilig landen.

Is het ernstig en wat kunt u verwachten?

Of een fobie ernstig is hangt af van de mate waarin de fobie het dagelijkse leven ontregelt. Veel mensen hebben een specifieke fobie zonder hier veel last van te hebben. Er zijn echter ook mensen met een fobie die hier sterk onder lijden. Mensen zoeken vaak pas hulp voor een fobie zodra zij er echt veel last van krijgen. Iemand die bijvoorbeeld een liftfobie heeft, kan prima leven zolang hij maar niet de lift neemt. Als deze persoon echter gaat werken op de 24ste verdieping van een groot kantoor, dan heeft hij ineens een probleem. Vaak volgt er dan een periode van het zich in bochten wringen om het vermijdingsgedrag vol te houden, totdat dit echt niet meer gaat. Vanaf dat moment ontstaat er een lijdensdruk en heeft men een ‘probleem’. In de regel verdwijnen fobieën niet vanzelf; er wordt geschat dat slechts zestien procent van de fobieën spontaan verdwijnt.

Wanneer naar de huisarts?

Het beste criterium dat u kunt gebruiken bij de vraag of u hulp moet zoeken, is de mate waarin u zelf last heeft van de fobie. Als de fobie uw leven flink begint te ontregelen, is dit vaak een reden om hulp te zoeken. Ook kan het zijn dat iemand in uw omgeving, bijvoorbeeld uw partner, last begint te krijgen van uw fobie en u aanspoort om hulp te zoeken. Uw partner wil bijvoorbeeld graag een vliegvakantie maken naar een ver oord, terwijl u een vliegfobie heeft. Het is belangrijk dat u ook zelf echt wat aan de fobie wilt doen.

Uw huisarts zal zelf weinig kunnen doen aan uw fobie, maar wel kan hij u doorverwijzen. Medicatie wordt vrijwel nooit gebruikt bij een behandeling van een fobie, alleen wordt soms kortdurend medicatie voorgeschreven om een bepaalde fobie aan te kunnen, zoals vliegangst. Als men stopt met het medicijn, keert de fobie vaak weer in alle hevigheid terug. De meeste psychologen en instellingen voor geestelijke gezondheidszorg kunnen een fobie behandelen. Ook hebben sommige instellingen gespecialiseerde behandeleenheden (angstpoli) voor de behandeling van angststoornissen, waaronder fobieën.

Wat kunt u er zelf aan doen?

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat gedragstherapie, en nog specifieker de zogenaamde ‘exposurebehandeling’, het meest succesvol is bij de behandeling van een fobie. Ook blijkt dat de meeste specifieke fobieën in één sessie van drie uur aanzienlijk kunnen worden verminderd. Exposure betekent letterlijk ‘blootstelling’. Het principe is eenvoudig: met heel kleine stapjes zoekt men de confrontatie op, men stelt zich bloot aan het gevreesde object en overwint zo de angst. Hoewel het principe dus heel eenvoudig is, vraagt de uitvoering van exposure een zeker vakmanschap, omdat mensen vaak op subtiele wijze blijven vermijden. Daarom is het altijd raadzaam om hulp te zoeken. U bent dan waarschijnlijk veel sneller van uw fobie af, dan als u het zelf probeert. Als u zelf wilt proberen uw fobie te overwinnen, is het belangrijk om de volgende punten in de gaten te houden:

  • Werk met heel kleine stapjes tegelijk. Mensen nemen vaak te grote stappen waardoor ze plots weer overrompeld raken door angst en vervolgens weer terug zijn bij af.
  • Maak een angstthermometer, waarbij 0 een situatie is waarbij u in het geheel geen angst ervaart, en 100 de situatie is waarbij uw angst maximaal is. Maak vervolgens 10 en liefst 20 tussenstapjes, met oplopende angst. 0 is bijvoorbeeld een papieren spin, 50 is een nepspin in uw hand nemen en 100 is een echte kruisspin over uw hand laten lopen.
  • Werk vervolgens de angstthermometer stap voor stap af, te beginnen bij 0 en ga pas een stap omhoog als u in het geheel geen angst meer ervaart bij de desbetreffende stap.
  • Probeert u zich in iedere stap maximaal bloot te stellen aan de situatie. Probeer ook niet op ‘subtiele’ wijze te vermijden, zoals wegkijken met uw ogen.
  • Punt drie is zo belangrijk, dat dit nog een keer wordt genoemd: ga pas een stap omhoog als u de desbetreffende stap vaak heeft geoefend en geen angst meer ervaart. Probeer niet verder te ‘denken’ dan de volgende stap. Als u blijft denken aan 100, kunt u wel eens ontmoedigd raken.

Algemene adviezen en voorzorgsmaatregelen

Fobieën die op volwassen leeftijd ontstaan, kunnen voorkomen worden. Zoals eerder gezegd, fobieën op volwassen leeftijd ontstaan vaak na een schokkende of ingrijpende gebeurtenis. Na een dergelijke gebeurtenis zult u de neiging hebben om de situatie te vermijden. Het is aan te raden om, hoe moeilijk dat ook is, u zo snel mogelijk stapje voor stapje in de gevreesde situatie te begeven. U kunt hierbij de hulp van anderen vragen. Hierdoor geeft u vermijdingsgedrag geen kans om uw angst te laten ontaarden in een fobie. Bedenkt u zich ook dat een fobie buitengewoon vervelend is, maar dat dit niet betekent dat er iets helemaal mis is met u. Eigenlijk is vrees een menselijk beschermingsmechanisme, dat ervoor zorgt dat we onszelf geen schade toedoen. Bij een fobie is dit beschermingsmechanisme eigenlijk ‘te goed’ geworden.

In samenwerking met

Dr. A.A. Vendrig (auteur)
Dr. P.J.G. Schreurs (consulent)
Drs. H.J.M. Smeur (consulent)

Bronnen

  • De Jong, P. & Keijsers, G.P.J. (1999). Protocollaire behandeling van patiënten met een specifieke fobie: Eén-sessie exposure-in-vivo. In: G.P.J. Keijsers, A. van Minnen, & C.A.L. Hoogduin (red.), Protocollaire behandelingen in de ambulante geestelijke gezondheidszorg 2. Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum
  • Öst, L.G. (1987). Age of oneset in different phobias. Journal of Abnormal Psychology, 96, 223-9
  • Öst, L.G. (1997). Rapid treatments for specific phobias. In: G.C.L. Dabey (red.), Phobias: A handbook of theory, research and treatment. London: Wiley
  • Robins, L.N. & Regier, D.A. (1991). Psychiatric disorders in America: The epidemiologic catchment area study. New York: Fress Press
  • Wittchen, H. (1988). Natural course and spontaneous remissions of untreated anxiety disorders. In: I. Hand & H. Wittchen (red.), Panic and phobias: Treatments and variables affecting course and outcome. Berlin: Springer Verlag.
  • NHG Standaard Angst