Eenkennigheid

Wat is eenkennigheid?

Eenkennigheid betekent angst voor vreemden. Eenkennigheid doet zich vooral in de tweede helft van het eerste levensjaar voor, meestal rond de 8 maanden. De meeste kinderen maken een fase door waarin zij eenkennig zijn en dus angstig zijn voor onbekende of minder bekende mensen. Dit is een fase in de ontwikkeling van het kind waarin het zich duidelijk gaat hechten aan de voor hem of haar meest belangrijke personen. Meestal zijn dat de ouders en soms een verzorger. Het kind weet bekende mensen en minder bekende mensen steeds beter van elkaar te onderscheiden. In deze periode is het kind vaak erg aanhankelijk en is het gericht op de voor hem meest vertrouwde personen. Het kind wordt erg angstig als deze vertrouwde personen bij hem vandaan gaan of als er vreemden in de buurt komen. De duur van deze periode verschilt sterk per kind en kan variëren van enkele dagen tot enkele maanden.

Symptomen van eenkennigheid

Uw kind is in deze fase erg gericht op u, uw partner of soms een andere bekende verzorger. Het wil het liefst de hele dag in de buurt van u of een ander vertrouwd persoon zijn en niet gescheiden worden. Wanneer u toch even uit beeld verdwijnt, bijvoorbeeld om naar het toilet te gaan, gaat uw kind huilen en protesteren. Uw kind lijkt in deze periode niets van vreemde mensen te moeten hebben. Onder vreemden kunnen bijvoorbeeld ook opa en oma vallen. Oppakken of op schoot nemen door een vreemde of zelfs alleen maar aankijken kan al aanleiding zijn om te huilen, zich heftig te verzetten, helemaal te verkrampen of het hoofdje weg te draaien. Ieder kind heeft een eigen manier om aan te geven dat hij iets eng vindt en iets niet wil. U of uw partner lijken vaak ook de enigen die het kind kunnen troosten.

Hoe ontstaat eenkennigheid?

De eerste relatie van een kind is meestal die met zijn ouders. Deze relatie ontwikkelt zich in het eerste levensjaar en ontplooit zich verder in de peutertijd en daarna. Deze relatie ontplooit zich doordat het kind zich hecht aan de ouders. Dit wordt het hechtingsproces genoemd.

Eenkennigheid heeft te maken met dit hechtingsproces. Om zich te hechten maken kinderen gebruik van hechtingsgedrag. Dit is gedrag van het kind dat bedoeld is om ervoor te zorgen dat er volwassenen bij het kind in de buurt blijven en voor hem zorgen; zo voelt het zich veilig. Dit gedrag kan zijn: huilen, glimlachen, geluidjes maken, volgen met de ogen of vastgrijpen. Het kind is voor eigen overleving namelijk afhankelijk van de omgeving en doet daarvoor via zijn of haar gedrag een beroep op de volwassene.

In de eerste levensmaanden is dit hechtingsgedrag gericht op bijna iedereen die het kind verzorgt; het kind laat zich bijvoorbeeld ook troosten door iedereen die daar een beetje handig in is. In de tweede helft van het eerste levensjaar (meestal rond 8 maanden) gaat het kind zich over het algemeen heel duidelijk hechten aan specifieke personen (meestal vader en moeder). Dit is onder andere terug te zien in reacties als het lachen, geluidjes maken en bewegen, wanneer het kind bijvoorbeeld vader of moeder ziet. In deze fase kan niet iedereen dezelfde reacties bij het kind losmaken als die specifieke personen. Het kind kruipt nu vaak uit zichzelf (zodra het dat kan) naar de voor hen vertrouwde personen toe. Al met al is het hechtingsgedrag in deze fase sterk gericht op deze vertrouwde personen.

Het begin van deze duidelijke hechting wordt vaak gekenmerkt door zowel verlatingsangst als door angst voor vreemden. Dit laatste wordt eenkennigheid genoemd. Het kind kan voor deze periode al bekenden van minder bekenden onderscheiden. Het optreden van eenkennigheid is echter iets dat pas kan optreden als het geheugen van het kind het totale beeld van bijvoorbeeld de moeder of vader kan vergelijken met dat van een minder bekende.

Aan het begin van de eenkennige fase beseft het kind nog niet dat de vertrouwde persoon niet voor altijd wegblijft, maar zo weer terugkomt. Dat vertrouwen ontwikkelt zich geleidelijk tijdens deze fase. Als het kind dat vertrouwen eenmaal heeft, is de eenkennige fase voorbij. Het heeft zich dan gehecht aan (meestal) de vader en moeder. Wanneer een kind goed gehecht is aan de ouders, voelt het zich veilig genoeg en kan het vanuit dat vertrouwen de wereld verder verkennen. Bovendien kan het zich dan ook hechten aan andere personen.

Is het ernstig en wat kunt u verwachten?

De eenkennige fase is een normale periode in de ontwikkeling van uw kind. De duur van deze periode kan variëren van enkele dagen tot enkele maanden. Hoewel het voor u een belasting kan zijn en andere familieleden zich afgewezen kunnen voelen, is het belangrijk te beseffen dat deze periode volledig normaal is en ook weer overgaat. Het ligt zeker niet aan een verkeerde manier van opvoeden. Integendeel, het doormaken van een eenkennige fase wijst erop dat uw kind een eigen ik aan het ontwikkelen is. En het betekent met name dat uw kind in staat is zich te hechten, iets wat heel belangrijk is; gedurende het hele leven zal uw kind relaties moeten kunnen aangaan en onderhouden. De eenkennige fase verloopt bij ieder kind op een eigen manier. Bij de een zal deze periode heftiger verlopen dan bij de ander. Het kind protesteert tegen vreemde gezichten; de een gaat daarbij hard huilen, de ander houdt zich helemaal stijf, spartelt juist heftig of draait zijn hoofd weg. Het is ook mogelijk dat eenkennigheid af en toe terugkeert. Wanneer een kind zich niet lekker voelt (bijvoorbeeld bij pijn, ziekte of erge vermoeidheid) of wanneer het bang is, kan het dezelfde tekenen vertonen als tijdens de echte eenkennige fase; het is erg aanhankelijk en wil dat u steeds in de buurt blijft. Soms kan het even duren voordat de balans weer hersteld is.

Wanneer naar de huisarts?

De eenkennige fase is een volstrekt normale periode in de ontwikkeling van uw kind. U hoeft hiervoor niet naar de huisarts.

Wat kunt u er zelf aan doen?

  • Bedenk dat het een normale fase is in de ontwikkeling van uw kind. Probeer daarom niet boos of geïrriteerd te reageren. Kijk naar wat uw kind u probeert duidelijk te maken en maak duidelijk dat u hem begrijpt. Laat uw kind maar een tijdje aanhankelijk zijn. Na verloop van tijd voelt het zich weer vertrouwd en gaat het zelf weer de wereld verkennen. Uw kind dwingen te doen wat het even niet wil, werkt in deze fase alleen maar averechts.
  • Als u toch even weg moet, vertel uw kind dan dat u even weg bent en zo weer terugkomt. Het begrijpt de inhoud nog niet, maar als u het vaak herhaalt, kan het aan de toon de boodschap toch begrijpen.
  • Speel kiekeboe en verstopspelletjes met uw kind. Zo leert het dat hij u even niet kan zien, maar dat u er toch bent.
  • Geef uw kind eerst de kans om een vreemde te bekijken. Laat de persoon van een afstandje tegen hem glimlachen en praten en laat deze pas dichterbij komen als uw kind wat gewend is.
  • Leg familie uit dat uw kind hen niet afwijst, maar nu gewoon even niet bij hen op schoot wil zitten. Vertel hen dat als zij uw kind de tijd gunnen en hem niet dwingen, uw kind zich vanzelf ook bij hen weer vertrouwd gaat voelen.
  • Als u uw kind ergens wilt achterlaten, zorg er dan voor dat dit een voor het kind vertrouwde omgeving is. Blijf even bij uw kind om het te laten wennen. Wanneer iemand op uw kind past, laat deze dan van tevoren een aantal keren kennis maken met uw kind. Een lievelingsspeeltje kan ervoor zorgen dan uw kind zich sneller ergens of bij iemand op zijn gemak voelt, ook als u er niet bent.

Algemene adviezen en voorzorgsmaatregelen

Het is niet nodig en ook heel moeilijk om eenkennigheid te voorkomen. Het is verstandig om vanaf de geboorte van uw kind de verzorging (voeden, verschonen, spelen, naar bed brengen) niet alleen door uzelf, maar ook door uw partner of bijvoorbeeld opa en oma te laten doen. Zo kan uw kind er vanaf jonge leeftijd aan wennen dat zijn behoeften door verschillende mensen vervuld kunnen worden. Op deze manier verloopt de eenkennige fase vaak milder en korter. Luister en kijk altijd goed naar wat uw kind probeert aan te geven en ga daar op in. Zo leert uw kind dat het u kan vertrouwen en dat u hem probeert te begrijpen. Dit vertrouwen is belangrijk voor een goede hechtingsband. En een goede hechtingsband kan uw kind helpen om de eenkennige fase vlot te doorlopen.

In samenwerking met

Drs. F.A. Munnik (auteur) Dr. P.J.G. Schreurs (consulent) Prof. Dr. J.J.L. Derksen (consulent)

Bronnen

  • Bowlby J (1969). Attachment and loss: Vol. 1. Attachment. New York: Basic Books.
  • Hekken SMJ van, Kievit Th (1996). Diagnostiek van het sociaal functioneren. In: Kievit Th, Wit J de, Groenendaal JHA, Tak JA (red). Handboek psychodiagnostiek voor de hulpverlening aan kinderen (1998, 5e druk), pp. 550-69. Maarssen: Elsevier/De Tijdstroom.
  • Koot JM (1996). Reactieve hechtingsstoornis. In: Sanders-Woudstra JAR, Verhulst FC, Witte HFJ de (red). Kinder- en jeugdpsychiatrie, deel I (1996, 6e druk), pp. 245-61. Assen: Van Gorcum.
  • Pope C (1995). De eerste twaalf maanden van uw baby. Houten: Van Holkema & Warendorf.
  • Verhulst FC (1991). De ontwikkeling van het kind (2001, 6e druk). Assen: Koninklijke Van Gorcum.

Pagina laatst aangepast op 24 juni 2019


Gerelateerd