Dwangstoornis

Wat is een dwangstoornis?

De dwangstoornis wordt ook wel ‘obsessief-compulsieve stoornis’ of ‘dwangneurose’ genoemd. Het kan zowel gaan om dwanggedachten (obsessies), als om dwanghandelingen (compulsies).

Dwanggedachten Dwanggedachten zijn gedachten of beelden die zomaar in het bewustzijn opduiken en die door degene die ze ervaart, als hinderlijk worden ervaren. Deze dwanggedachten blijven maar terugkeren. Als u wel eens zulke gedachten heeft, hoeft dit nog niet te betekenen dat u last heeft van een dwangstoornis. Dwanggedachten komen bij veel mensen voor. Iedereen kent wel het verschijnsel dat een bepaald liedje of zinnetje zich maar blijft herhalen in het hoofd.

Dwanghandelingen Dwanghandelingen zijn handelingen die iemand uitvoert, zonder dat die persoon dat zelf wil. De handelingen ‘moet’ de persoon als het ware van zichzelf uitvoeren. Voert de persoon die handelingen niet uit, dan ontstaat een grote spanning. De dwanghandelingen worden meestal op precies dezelfde wijze uitgevoerd. Ook hiervoor geldt dat veel mensen dit verschijnsel kennen. Veel voorkomende dwanghandelingen zijn: controleren of de deur wel echt op slot is, terwijl u weet dat u de deur net op slot heeft gedaan of als u de koffiemelk door de koffie heeft geroerd, twee keer met het lepeltje op het kopje tikken. Ook kinderen kunnen in bepaalde levensfasen dwanghandelingen uitvoeren die daarna vanzelf weer verdwijnen.

Symptomen dwangstoornis

Als u wel eens dwanggedachten heeft of dwanghandelingen uitvoert, betekent dat nog niet dat u last heeft van een dwangstoornis. We spreken van een dwangstoornis (of obsessief-compulsieve stoornis) als de dwanggedachten of dwanghandelingen uw dagelijks leven ontregelen.

Sommige mensen met een dwangstoornis hebben vooral last van dwanggedachten, anderen vooral van dwanghandelingen, maar de meeste mensen hebben last van allebei. De dwanggedachten veroorzaken een duidelijke angst of gespannenheid.

Het is ook belangrijk om een onderscheid te maken tussen ‘gewone’ zorgen en dwanggedachten. Als u bijvoorbeeld uw huis aan het verbouwen bent en u denkt daar heel vaak aan, ook op momenten dat u dat niet wilt, spreken we niet van dwanggedachten. Dwanggedachten worden vaak omschreven als ‘zinloze’ gedachten die weinig te maken hebben met dagelijkse zorgen.

Dwanggedachten die betrekking hebben op angst voor vuil en om ‘besmet’ te raken, worden wel smetvrees genoemd. De dwanggedachten en dwanghandelingen staan vaak met elkaar in verband. Veel mensen proberen van hun dwanggedachte af te komen, door het uitvoeren van de dwanghandeling. Vaak gaan mensen met dwanggedachten situaties vermijden, die de dwanggedachten of dwanghandelingen oproepen. Iemand met smetvrees wil bijvoorbeeld voorkomen dat hij het hele huis weer ‘moet’ schoonmaken als er bezoek geweest is, en zal om die reden proberen zo min mogelijk mensen thuis uitnodigen.

Hoe ontstaat een dwangstoornis?

Tussen de twee en drie procent van de bevolking zal ooit in zijn leven last krijgen van een dwangstoornis. Waarschijnlijk is dit aantal zelfs groter, maar is dat onbekend doordat deze mensen zich niet aanmelden voor behandeling.  Een dwangstoornis begint meestal na het twintigste levensjaar.  Uit onderzoek blijkt dat diverse factoren met het ontstaan van een dwangstoornis te maken kunnen hebben.

Opvoeding Mensen met een dwangstoornis blijken vaker ouders te hebben, die erg kritisch zijn, hoge eisen stellen en soms ook overbeschermend zijn. Mensen met een dwangstoornis hebben deze kritische houding als het ware overgenomen, waardoor in hun ogen, goed nooit goed genoeg lijkt te zijn. Uit angst om fouten te maken, blijven zij maar controleren en poetsen (bijvoorbeeld bij smetvrees). Omgekeerd is het echter zo, dat niet alle mensen met kritische en overbeschermende ouders, dwangklachten ontwikkelen. Er moeten dus ook nog andere factoren een rol spelen bij het ontstaan van een dwangstoornis.

Angst en spanning In zekere zin kunnen dwanghandelingen beschouwd worden als een soort ‘verslaving’ waarbij ze de neiging hebben steeds erger te worden. Het is belangrijk om te weten dat mensen met een dwangstoornis hun dwanghandelingen niet uitvoeren, omdat ze dit gewoon ‘leuk’ vinden. Zij doen dit vaak om van een ondraaglijke angst of spanning af te komen, die bepaalde situaties oproepen. Iemand die bijvoorbeeld de angst heeft dat hij is vergeten het gas uit te doen, voelt spanning als gevolg van deze angst. Als deze persoon zomaar zou weglopen, zal hij telkens denken ‘heb ik het gas wel uitgedaan?’. Om van deze kwellende spanning af te komen, controleert hij of het gas inderdaad uit is. Hierdoor neemt de spanning af. Deze persoon ‘leert’ zo, dat controleren helpt om van de spanning af te komen. Op korte termijn helpt het controleren om de spanning te verminderen, maar op de lange termijn neemt de spanning juist toe. Zij zullen hierdoor steeds meer en steeds vaker gaan controleren.

Opkroppen van boosheid Tenslotte, mensen met dwangklachten blijken ook vaak moeite te hebben om hun negatieve gevoelens naar anderen te uiten. Zij kroppen hun boosheid gemakkelijk op. Vaak geven mensen ook aan dat de dwangklachten vooral optreden nadat zij zich boos hadden gevoeld of geërgerd waren geweest, maar deze gevoelens niet hadden geuit.

Is het ernstig en wat kunt u verwachten?

Een dwangstoornis die bij volwassenen langer dan een jaar duurt, verdwijnt meestal niet vanzelf. Meestal breiden de klachten zich zelfs uit, de dwanggedachten of dwanghandelingen treden dan in steeds meer situaties op.

Mensen met een dwangstoornis stellen alles in het werk om van hun dwanggedachten af te komen, maar pogingen zoals onderdrukken of vermijden hebben hierbij meestal een averechts effect. Hoe harder de dwanggedachten worden onderdrukt of tegengegaan, hoe vaker zij juist opduiken. Door de spanning die dwanggedachten en dwanghandelingen oproepen, ontstaan vaak ook weer nieuwe problemen. Dit maakt het nog lastiger om van een afstandje rustig te kijken naar de eigen gedachten, waardoor de spanning weer toeneemt. Kortom, deze mensen komen in een vicieuze cirkel terecht, waar zij zonder hulp moeilijk uit kunnen komen.

Mensen met dwangklachten hebben vaak ook andere psychische klachten, meestal zijn deze depressief van aard. Door de dwangklachten kunnen mensen geïsoleerd raken, waardoor hun stemming alsmaar somberder wordt. Omgekeerd is het zo, dat men meer last heeft van dwangklachten als de stemming somber is.

Wanneer naar de huisarts?

Mensen met dwangklachten gaan meestal naar de huisarts op het moment dat er zeer veel problemen ontstaan. Eerder werd al gezegd dat een dwangstoornis heel geleidelijk ontstaat. In eerste instantie lijkt iemand gewoon precies, twijfelzuchtig of ‘poetserig’, totdat de dwangverschijnselen zo sterk op de voorgrond staan, dat de persoon hier zelf last van krijgt. Dit is vaak het moment waarop mensen contact zoeken met hun huisarts.

Medicatie In sommige gevallen kan de huisarts medicijnen voorschrijven. Sommige antidepressiva blijken de dwangklachten te kunnen verminderen. Clomipramine, fluvoxamine en paroxetine zijn geregistreerde geneesmiddelen voor de dwangstoornis. Hoewel genoemde geneesmiddelen op korte termijn voor verlichting kunnen zorgen, is een belangrijk nadeel dat de dwangklachten vaak weer terugkeren als men het gebruik van het geneesmiddel staakt.

Gedragstherapie Gedragstherapie blijkt op korte termijn ongeveer even effectief als het gebruik van antidepressiva. Op langere termijn is gedragstherapie effectiever, omdat er dan minder terugval optreedt; de klachten komen dan niet opnieuw in dezelfde mate terug. In de praktijk wordt vaak een combinatie toegepast van ‘pillen en praten’. Het voordeel hiervan is dat al snel verbetering optreedt, door gebruik van het geneesmiddel en dat door het praten gedragsveranderingen optreden, waardoor het effect van de therapie groter is.

De meeste psychologen en instellingen voor geestelijke gezondheidszorg kunnen u helpen bij de vermindering van uw dwangklachten. Ook hebben sommige instellingen afdelingen die gespecialiseerd zijn in de behandeling van angststoornissen, waaronder de dwangstoornis. Welke behandeling voor u het beste is, is onder meer afhankelijk van de ernst van de klachten. Samen met uw huisarts kunt u bekijken welke vormen van hulp in uw regio beschikbaar zijn en welke voor u het meest geschikt is.

Wat kunt u er zelf aan doen?

Bij veel mensen met een dwangstoornis is het dagelijkse leven zo ontregeld en zij ervaren zoveel spanning, dat zij op zoek gaan naar professionele hulp. Huisartsen verwijzen mensen met dwangklachten over het algemeen naar professionele psychologische hulp. De hieronder vermelde adviezen kunt u toepassen, als de dwangklachten niet heel ernstig zijn. Ook kunt u deze adviezen gebruiken als aanvulling op de therapie die u volgt of gaat volgen. In dit geval is het raadzaam om de adviezen te bespreken met uw therapeut.

1. Probeer eerst voor uzelf na te gaan welk doel u wilt nastreven en of dit ook realistisch is. Veel mensen willen graag in een keer ‘verlost’ zijn van hun gepieker, gecontroleer of van hun neiging alsmaar te poetsen. Het is soms verstandig om uw doel bescheiden te houden, bijvoorbeeld vijftig procent minder piekeren, of vijftig procent minder controleren.

2. Als u voornamelijk last heeft van dwanghandelingen zoals controleren en poetsen, zou u eens kunnen proberen om deze dwanghandelingen te beperken. Let wel, probeer uzelf niet te forceren dat u ‘moet’ stoppen met deze handelingen. Ertegen vechten kost u alleen maar energie. U dient voor ogen te houden, dat het gaat om een soort van ‘verslaving’ waar u geleidelijk van los moet zien te komen.

Begin met het noteren van uw dwanghandelingen: hoe vaak, wanneer, in welke situaties en hoe. Het beste kunt u dit dagelijks doen, gedurende een week. Wat u vervolgens kunt doen, is proberen om op bepaalde momenten, of in bepaalde situaties minder dwanghandelingen uit te voeren. Stel, u heeft de gewoonte om altijd vier keer te controleren of u wel het gas heeft uitgedaan. Nu kunt u met uzelf afspreken dat u voortaan drie keer het gas controleert. Immers, wat is het verschil tussen drie, vier of vijf keer controleren. In eerste instantie zal uw spanning toenemen (net zoals iemand die minder gaat roken, zich ook meer gespannen voelt), maar na enige tijd zal de spanning afnemen.

U kunt ook maatregelen bedenken die het voor u wat moeilijker maken om de dwanghandelingen uit te voeren. Als u bijvoorbeeld iedere dag meerdere keren een douche neemt om zich minder ‘vies’ te voelen, kunt u met uzelf afspreken dat u alleen ’s ochtends of ’s avonds een warme douche neemt en de andere keren een douche met lauw water.

3. Als u dwanggedachten heeft, is het belangrijk dat u zich bewust blijft van een aantal zaken. Het klinkt misschien vreemd, maar het verschil tussen mensen met en zonder dwanggedachten is niet dat mensen met dwanggedachten akelige gedachten hebben die zomaar eens opduiken. Het verschil is dat mensen met dwanggedachten zich hiertegen verzetten en zich schamen over zulke gedachten, waardoor deze juist vaker terugkomen. Probeert u maar eens een minuut lang niet aan een witte beer te denken. Hoe harder u probeert niet aan een witte beer te denken, hoe vaker u er juist aan zult denken.

Houdt u ook goed in de gaten dat gedachten (fantasie) en werkelijkheid niet hetzelfde zijn. Als u de dwanggedachte heeft om een ander wat aan te doen, betekent dit niet dat u ook werkelijk de ander iets zal aandoen. Integendeel, uw geweten werkt juist zo goed dat u de gedachte alleen al verwerpelijk vindt. Veel mensen denken soms de meest afschuwelijke dingen. Het verschil is dat u zich juist zo schuldig voelt over dergelijke gedachten, dat u zulke gedachten wilt ‘verbannen’ uit uw bewustzijn, waardoor, zoals hiervoor werd genoemd, ze juist vaker terug komen. Tip: laat de gedachten over u heen komen en houd constant voor ogen dat fantasie en werkelijkheid niet hetzelfde zijn.

4. Mensen met dwangklachten blijken vaak moeite te hebben met het uiten van negatieve gevoelens en het opkomen voor zichzelf. Ga bij uzelf na of dat bij u ook het geval is. Heeft u inderdaad moeite met het opkomen voor uzelf, probeer dan eens in kaart te brengen in welke situaties en met wie dat dan vooral zo is. Probeert u zich vervolgens eens voor te stellen dat een goede vriendin of vriend in uw schoenen staat. Wat zou u deze pe rsoon dan adviseren? Vervolgens kunt u dit advies zelf opvolgen.

Algemene adviezen en voorzorgsmaatregelen

Mensen met dwangklachten komen vaak in een vicieuze cirkel terecht. De dwangklachten leiden tot spanning en zorgen vaak weer voor nieuwe problemen. Door de spanning verslechtert de stemming, waardoor de dwangklachten vaak weer sterker worden. Kortom, het gaat van kwaad tot erger. Ook komen slaapproblemen vaak voor bij mensen met een dwangstoornis.

Met een aantal eenvoudige maatregelen kunt u ervoor zorgen, dat u wat van uw lichamelijke spanning kwijtraakt en prettiger in uw vel komt te zitten.

Ten eerste onderschatten veel mensen het nadelige effect van stimulerende middelen, zoals alcohol, koffie en medicijnen. Het is verstandig om deze middelen te beperken en te zorgen voor een gezonde voeding. Sport en lichamelijke activiteit hebben een gunstig effect op uw welzijn. Zodoende kunt u uw spanning ‘ontladen’ en wordt u ook afgeleid.

Ook slapen mensen beter als zij lichamelijk actief zijn. Opgeslokt door stress en spanning komen veel mensen onvoldoende toe aan ontspannende activiteiten. Het is goed om bewust in uw agenda ruimte vrij te maken voor ontspannende activiteiten.

Dergelijke maatregelen vormen geen oplossing voor de oorzaak van uw dwangstoornis, maar zorgen er wel voor dat de gevolgen beperkt blijven, dat wil zeggen, dat de negatieve spiraal niet doorzet. Kortom, belangrijke adviezen zijn:

  • beperk het gebruik van stimulerende middelen (zoals wijn, koffie, medicijnen)
  • zorg voor een gezonde voeding
  • zorg voor voldoende lichaamsbeweging
  • zorg regelmatig voor ontspanning

In samenwerking met

Dr. A.A. Vendrig (auteur) Dr. P.J.G. Schreurs (consulent) Drs. H.J.M. Smeur (consulent)

Bronnen

  • Balkom, A.J. van, et al. (1994) . A meta-analysis on the treatment of obsessive compulsive disorder: A comparison of antidepressants, behavior, and cognitive therapy. Clinical Psychology Review, 14, 359-81
  • Emmelkamp, P.M.G. (1990). Obsessive-compulsive disorders in adulthood. In M. Hersen & C.G. Last (Eds.), Handbook of adult and child psychopathology: A longitudinal perspective. New York: Pergamon Press
  • Rachman, S., & Silva, P. de (1978). Abnormal and normal obsessions. Behavior Research and Therapy, 16, 233-48
  • Verbraak, M.J., et al. (1997). Protocollaire behandeling van patiënten met een obsessief-compulsieve stoornis: Exposure, responspreventie en cognitieve therapie.
  • G.P.J. Keijsers, A. van Minnen, & C.A.L. Hoogduin (red.), Protocollaire behandelingen in de ambulante geestelijke gezondheidszorg 2. Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum.

Pagina laatst aangepast op 24 juni 2019


Gerelateerd