Carpaal-tunnelsyndroom

Wat is het carpaal-tunnelsyndroom?

Het carpaal-tunnelsyndroom is een beknelling van de middelste armzenuw (de zogenoemde nervus medianus) ter hoogte van de pols. Deze zenuw loopt daar door een nauw kanaal: de carpale tunnel. De bodem van de carpale tunnel wordt gevormd door de handwortelbeentjes en het dak door een stevig peesblad tussen de duim- en de pinkmuis aan het begin van de handpalm. In deze carpale tunnel lopen verschillende pezen, bloedvaten en de middelste armzenuw.

Als de middelste armzenuw in deze tunnel afgeklemd wordt, kan hij zijn functie niet meer uitvoeren waardoor problemen met het gevoel en de kracht van een deel van de hand ontstaan.Eén op de tien mensen krijgt tijdens zijn leven te maken met een carpaal-tunnelsyndroom. Vrouwen drie keer zo vaak als mannen.

Het carpaal-tunnelsyndroom kan op alle leeftijden voorkomen, maar treedt vooral op bij mensen tussen de veertig en zestig jaar. Vrouwen hebben een vergrote kans tijdens een zwangerschap, meestal vanaf de zesde maand. Het carpaal-tunnelsyndroom komt vaak aan beide handen tegelijk voor waarbij een hand meestal meer is aangedaan dan de andere.Mensen die veel met hun handen werken, hebben een grotere kans een carpaal-tunnelsyndroom te krijgen.

Symptomen carpaal-tunnelsyndroom

Doordat de middelste armzenuw afgeklemd is, kan hij zijn functie niet meer goed uitoefenen. De volgende verschijnselen kunnen dan ontstaan:

  • prikkelingen in duim, wijs-, middel- en ringvinger
  • ’ s nachts wakker worden van deze prikkelingen
  • schudden van de handen vermindert de prikkelingen
  • pijnklachten in de pols uitstralend naar de hand of de onderarm
  • ’s ochtends stijfheid en onhandigheid van de hand
  • verminderde kracht in de vingers
  • werken met de handen verergert de klachten
  • de spieren van de hand en de duim kunnen dunner worden

Vaak beginnen de klachten aan één hand en breiden ze zich later ook uit naar de andere hand.

Hoe ontstaat het carpaal-tunnelsyndroom?

Wanneer de zenuw te weinig ruimte heeft in de carpale tunnel kan hij afgekneld worden. Deze afknelling kan ontstaan door:

  • een nauwe ruimte in de carpale tunnel vanaf de geboorte
  • irritatie van de zenuw waardoor deze dikker wordt en meer ruimte inneemt
  • hormonale veranderingen (zoals bij zwangerschap, overgang, schildklierproblemen of overmatig groeihormoon) waardoor er meer vocht vastgehouden wordt in het bindweefsel en de ruimte in de tunnel ook kleiner wordt
  • extra structuren in de carpale tunnel die er normaal niet lopen: een spier, een pees of een bloedvat die ook ruimte inneemt
  • een polsbreuk of vervorming van de pols door reuma
  • aantasting van de zenuw door een andere ziekte (zoals suikerziekte) waardoor hij extra gevoelig is voor afknellen

Doordat de zenuw afgekneld is, wordt de bloedvoorziening van de zenuw verstoord. Hierdoor kan de zenuw niet normaal functioneren en valt de functie van de zenuw uit.

De middelste armzenuw regelt het gevoel en de kracht in de duim, wijs-, middel- en ringvinger. Deze functies kunnen dus verstoord raken of verloren gaan.

Wanneer naar de huisarts?

Als u vermoedt dat u last heeft van een carpaal-tunnelsyndroom moet u contact opnemen met uw huisarts. Deze zal u onderzoeken en u in eerste instantie adviezen geven hoe de zenuw weer tot rust kan komen. Als de klachten na zes weken nog niet verminderd zijn, zal de huisarts u naar de neuroloog verwijzen voor onderzoek en behandeling.

Is het ernstig en wat kunt u verwachten?

Spontaan herstel Doordat de zenuw bekneld zit in de carpale tunnel kan hij niet goed functioneren. Bij een deel van de mensen verdwijnt de oorzaak van de beknelling spontaan. De zenuw kan zich dan weer herstellen waardoor de verschijnselen van het carpaal-tunnelsyndroom kunnen verdwijnen. Zenuwen herstellen zich langzaam; het herstel kan dan ook enkele weken duren.

Een carpaal-tunnelsyndroom dat tijdens de zwangerschap ontstaat, verdwijnt over het algemeen na de zwangerschap vanzelf weer.

Naar de neuroloog Wanneer de huisarts vermoedt dat er bij u sprake is van een carpaal-tunnelsyndroom kan hij u eventueel doorverwijzen naar de neuroloog. Sommige ziekenhuizen hebben speciale poliklinieken voor het carpaal-tunnelsyndroom. De neuroloog zal naar uw klachten luisteren, u vragen stellen en u neurologisch onderzoeken. Vaak zal er een onderzoek volgen waarbij met elektrische stroompjes gemeten wordt of de zenuw in de knel zit, waar de zenuw in de knel zit en hoe ernstig die beknelling is. Dit onderzoek wordt ook wel spierzenuwonderzoek of EMG genoemd.

Nachtspalk Als de zenuw inderdaad in de knel zit in de carpale tunnel, krijgt u een nachtspalk voorgeschreven. Dit is een spalk die de pols in een bepaalde stand houdt waarbij de ruimte in de carpale tunnel het grootst is. Op deze manier krijgt de zenuw de ruimte en kan hij zich herstellen. U hoeft de spalk alleen ‘s nachts te dragen. Overdag mag ook, maar dan kunt u uw hand niet gebruiken.

De spalk moet binnen vier weken een goede verbetering van uw klachten geven. Dit is bij zes op de tien mensen het geval. Als de spalk na deze periode geen verbetering heeft gegeven, is een andere behandeling nodig.

Andere behandelingen Andere behandelmogelijkheden zijn een injectie met een pijnstillend en ontstekingsremmend medicijn in de buurt van de carpale tunnel, een behandeling met ontstekingsremmende tabletten of een behandeling waarbij er rek op de beknelde zenuw wordt uitgeoefend. Deze behandelingen geven nogal wisselende resultaten, zodat lang niet alle ziekenhuizen ze uitvoeren.

Operatie Als al deze behandelingen geen effect hebben of er bij het EMG sprake is van een ernstig carpaal-tunnelsyndroom, kan er een operatie volgen. Daarbij wordt de carpale tunnel opengemaakt en vervolgens vergroot door het peesblad aan de bovenkant van de carpale tunnel door te snijden. Deze operatie kan uitgevoerd worden door een neurochirurg, een plastisch chirurg, of een (orthopedisch) chirurg. Acht tot negen van de tien mensen zijn daarna klachtenvrij. Na de operatie kunt u enkele weken lang uw hand niet normaal gebruiken. Daarom worden nooit twee handen tegelijk geopereerd.

Wat kunt u zelf doen aan het carpaal-tunnelsyndroom?

Wanneer u merkt dat u symptomen heeft van een carpaal-tunnelsyndroom, is het belangrijk dat de zenuw tot rust komt. De volgende adviezen kunnen u daarbij helpen:

  • let goed op het gebruik van uw handen. Misschien kunt u zo ontdekken welke bewegingen pijnklachten en prikkelingen veroorzaken. Probeer deze bewegingen een aantal weken te vermijden
  • met name bewegingen waarbij kracht met de hand moet worden gezet terwijl de vingers worden bewogen, zijn vaak niet goed voor mensen met een carpaal-tunnelsyndroom. Laat handelingen als wringen, aardappels schillen of schroeven draaien dan ook aan anderen over
  • ook lang een stuur van de fiets of de auto vasthouden is een houding waarin de zenuw gemakkelijk afgekneld wordt. Probeer deze houding dan ook af te wisselen en niet te lang achtereen vol te houden (maximaal een half uur)
  • zorg voor regelmatige afwisseling tijdens het bewegen van de armen. Verdeel een taak waarbij u veel met uw armen moet werken in kortere taken en las rustpauzes in
  • u kunt de zenuw ’s nachts rust geven door uw pols in te zwachtelen in de stand waarin u het minste last heeft of door ’s nachts polsbeschermers te dragen die ook worden gebruikt bij het skeeleren
  • samen met een fysiotherapeut kunt u kijken naar uw houding en tips en oefeningen krijgen om uw houding te verbeteren
  • als u met name op uw werkdagen last krijgt van de symptomen van het carpaal-tunnelsyndroom is het zinvol om kritisch naar uw werkplek te kijken en daar ook langdurig werken met gebogen polsen en vingers te vermijden. Schakel eventueel de arbodeskundige in.

Mocht u na zes weken nog last hebben van de verschijnselen van het carpaal-tunnelsyndroom, neem dan contact op met uw huisarts.

Algemene adviezen en voorzorgsmaatregelen voor carpaal-tunnelsyndroom

Als u last heeft van suikerziekte, een verstoorde schildklierwerking, reuma, zwanger bent of in de overgang zit, bent u extra gevoelig om een carpaal-tunnelsyndroom te ontwikkelen.  Ook als u geen klachten hebt, is het zinvol om kritisch te kijken hoe u uw handen houdt tijdens het werken. Door een goede houding aan te leren kunt u voorkomen dat u symptomen van het carpaal-tunnelsyndroom krijgt.

In samenwerking met

Drs. J.H. Schieving (auteur) Dr. A. Keijser (consulent)

Bronnen

  • Oosterhuis HJHG. Klinische Neurologie. 11e herziene druk. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum, 1992.
  • Hijdra A, Koudstaal PJ en Roos RAC. Neurologie. Utrecht: Wetenschappelijke uitgeverij Bunge, 1994.
  • Olney RK. Carpal tunnel syndrome. Complex issues with a “simple” condition. Neurology 2001;56:1431-2.
  • NHG Standaard Hand- en polsklachten
  • Lisdonk van de EH, Bosch van den SJHM, Lagro-Janssen ALM, Schers HJ. Ziekten in de huisartsenpraktijk vijfde druk  2008.  Reed Business, Amsterdam.

Pagina laatst aangepast op 24 juni 2019


Gerelateerd