Bevallen in het ziekenhuis

Wat is bevallen in het ziekenhuis?

In Nederland heeft een zwangere vrouw in principe zelf de keuze of ze thuis of in het ziekenhuis bevalt. Veel vrouwen vinden het prettig om in hun eigen vertrouwde omgeving te bevallen. Andere vrouwen vinden het juist een geruststellend idee om hun kind in het ziekenhuis ter wereld te brengen, voor het geval er toch iets mis gaat. Bevallingen in het ziekenhuis worden onderscheiden in poliklinische en klinische bevallingen.

Poliklinische bevalling Als u er zelf voor kiest om in het ziekenhuis te bevallen, dus zonder medische indicatie, spreken we van een poliklinische bevalling. Uw eigen verloskundige begeleidt de bevalling, samen met een kraamverpleegkundige of een kraamverzorgende van het ziekenhuis.

Klinische bevalling In sommige gevallen is het om medische redenen noodzakelijk dat u in het ziekenhuis bevalt. We spreken dan van een klinische bevalling. De gynaecoloog of verloskundige van het ziekenhuis begeleidt de bevalling. Een kraamverpleegkundige of kraamverzorgende assisteren.

Redenen om in het ziekenhuis te bevallen zijn bijvoorbeeld:

  • een eerdere bevalling was middels een keizersnede
  • een eerdere bevalling verliep heel moeizaam
  • de baby wordt te vroeg te geboren
  • er wordt een meerling verwacht

Meer informatie over indicaties voor een klinische bevalling kunt u lezen in de informatiefolder 'Thuis of in het ziekenhuis bevallen?’.

Naar het ziekenhuis

Wanneer gaat u naar het ziekenhuis? Als u al weet dat u in het ziekenhuis gaat bevallen, is het raadzaam om in de volgende situaties de verloskundige, de huisarts of de gynaecoloog te bellen:

  • u heeft regelmatig weeën gedurende een uur, met tussenpozen van zo’n vijf minuten; gedurende twee of meer uur met langere tussenpozen
  • de vliezen zijn gebroken: u merkt dit als u vocht uit uw vagina verliest dat u niet meer kunt ophouden
  • u heeft vaginaal bloedverlies (het zogenaamde ‘teken’)

De verloskundige of de huisarts komt bij u thuis en bekijkt of u al opgenomen kunt worden.

Als u voor het eerst gaat bevallen, gaat u naar het ziekenhuis als er ongeveer zes centimeter ontsluiting is. Als u al eerder een bevalling heeft doorgemaakt, gaat u bij vier tot vijf centimeter naar het ziekenhuis. Meer hierover kunt u lezen in de informatiefolder 'Eerste tekenen van bevallen’.

Hoe gaat u naar het ziekenhuis? Vaak kunt u met eigen vervoer naar het ziekenhuis. Zorg er dan wel voor dat iemand u begeleidt, die kan rijden. Als dit niet mogelijk is, kunt u het beste een taxi nemen.

Wat neemt u mee naar het ziekenhuis? Het is handig als u ruim van tevoren al een tas heeft klaarstaan, met spullen die u meeneemt naar het ziekenhuis. Dokterdokter.nl heeft hiervoor een lijstje opgesteld.

Kleding voor uzelf:

  • nachtkleding
  • ondergoed
  • warme sokken
  • pantoffels
  • schone kleren

Toiletspullen:

  • shampoo
  • zeep
  • haarborstel of kam
  • deodorant
  • noodzakelijke medicijnen

Kleding voor de baby:

  • rompertje
  • truitje en broekje of een pakje
  • sokjes
  • jasje
  • mutsje

Overigen:

  • maxi-cosi of autostoeltje
  • fototoestel met extra rolletje en extra batterij
  • eventueel videocamera met oplader en extra tape
  • belangrijke telefoonnummers (bijvoorbeeld van de drukker, de oppas van eventuele andere kinderen, de mensen die u na de bevalling wilt bellen)

Eventueel:

  • tijdschriften of boeken
  • rustige cd’s of cassettebandjes (in veel ziekenhuizen heeft u de beschikking over een geluidsinstallatie)

In het ziekenhuis

Ontvangst in het ziekenhuis Bij aankomst in het ziekenhuis wordt u ontvangen door een verpleegkundige van de verloskamers. De verloskamers bevinden zich meestal op dezelfde afdeling als de kraamafdeling, maar deze zijn er wel van gescheiden. Meestal zijn er twee verpleegkundige teams: één team verpleegkundigen dat op de kraamafdeling werkt en één team dat op de verloskamers werkt.

Als het nog mogelijk is, biedt de verpleegkundige u eerst wat te drinken aan. Hij geeft u ook uitleg over de apparatuur in de verloskamer en voert een opnamegesprek. Vragen die hierin aan bod komen, zijn onder meer:

  • Wanneer zijn de weeën begonnen?
  • Hoeveel tijd zit er tussen de weeën?
  • Hoe lang duurt een wee?
  • Zijn de vliezen gebroken?
  • Heeft u de slijmprop verloren?
  • Wanneer heeft u voor het laatst geplast en ontlasting gehad?

Als de bevalling al in volle gang is als u in het ziekenhuis aankomt, dan wordt dit opnamegesprek natuurlijk overgeslagen.

Naar de verloskamer Na het opnamegesprek wordt u naar de verloskamer gebracht. Veel ziekenhuizen bieden de mogelijkheid om voor de bevalling de verloskamers te bekijken, zodat u een beeld heeft van de omgeving waarin u gaat bevallen. In een verloskamer zijn de volgende zaken aanwezig:

  • een verlosbed: dit bestaat uit twee delen. Aan het voorste deel kunnen beenhouders worden geplaatst. Deze worden alleen geplaatst als zich tijdens de bevalling problemen voordoen of als u na afloop gehecht moet worden
  • kast of tafel met instrumenten en benodigdheden voor de bevalling
  • cardiotocograaf (CTG): een apparaat dat de harttonen van de baby en de weeënactiviteit van u registreert
  • aansluiting voor zuurstof
  • uitzuigapparatuur
  • reanimatietafel benodigdheden om de baby te verzorgen: commode, badje, weegschaal, navelklemmetje en een wieg

Daarnaast beschikken verloskamers over een telefoon (mobiele telefoons zijn in ziekenhuizen meestal niet toegestaan).

Met wie krijgt u te maken? Zowel bij een poliklinische als een klinische bevalling, vindt de bevalling plaats in de verloskamer.

U kunt in het ziekenhuis de volgende personen tegen komen:

  • verloskundige: deze begeleidt u bij een poliklinische bevalling
  • gynaecoloog of verloskundige van het ziekenhuis: deze begeleidt u bij een klinische bevalling
  • arts-assistent en co-assistent: het is mogelijk dat een arts-assistent en eventueel een co-assistent de bevalling begeleiden. De gynaecoloog is dan wel altijd in de buurt en hij blijft eindverantwoordelijk
  • kraamverpleegkundige of kraamverzorgende: een kraamverpleegkundige heeft na de opleiding tot verpleegkundige, de specialistische vervolgopleiding Gynaecologie-Obstetrie gevolgd. De kraamverzorgende heeft een MBO-opleiding gevolgd en verleent zorg bij de normale, ongecompliceerde bevalling en tijdens het kraambed
  • stagiaires

Naast het medisch personeel kunnen natuurlijk uw partner en andere naasten bij de bevalling aanwezig zijn.

De bevalling

Weeënregistratie en CTG Een cardiotocograaf (CTG), ook wel CTG-apparaat genoemd, registreert de weeën van de moeder en de hartslag van het (ongeboren) kind. Deze worden in een grafiek weergegeven, waardoor ook de relatie tussen de weeënactiviteiten en de hartslag van het kind inzichtelijk wordt. Vaak gaat tijdens een perswee de hartslag van het kind wat omlaag, door druk op het hoofd van de baby. Normaal is de hartslagfrequentie van het kind rond de 110 tot 150 slagen per minuut. Afhankelijk van de reden waarom u in het ziekenhuis bevalt, wordt u tijdens de bevalling in het ziekenhuis een tijdje (meestal ongeveer half uur) aangesloten op een CTG-apparaat, om te bekijken of alles goed verloopt. Dit gebeurt volgens de uitwendige methode: er worden twee banden om de buik van de zwangere vrouw gelegd. Eén band meet de hartslag van de baby; de andere meet de weeënactiviteit van de zwangere vrouw. Zo wordt ook duidelijk hoe de weeën de hartslag beïnvloeden. Het kan ook zijn dat de baby continu wordt geregistreeerd. Dit kan via de inwendige methode. Deze kan alleen worden gebruikt als de vliezen al gebroken zijn. De hartslag van de baby wordt gemeten met een elektrode, die via de vagina op het hoofd van de baby wordt vastgemaakt. Door een slangetje (katheter) in de baarmoederholte in te brengen, wordt de kracht van de weeën

Verpleegkundige zorg tijdens de bevalling Een belangrijke taak van de verpleegkundige is observatie: het goed in de gaten houden van wat zich afspeelt. Hij observeert de toestand van u tijdens de bevalling, ook bijvoorbeeld de toestand van het vruchtwater. Daarnaast zorgt de verpleegkundige voor begrip, steun, motivatie en geruststelling voor u en uw partner. Uiteraard zijn er ook medische handelingen die verricht moeten worden.

Hieronder gaan we in op de verpleegkundige zorg tijdens de bevalling in de volgende fasen:

  • de ontsluitingsperiod
  • de uitdrijvingsperiod
  • het nageboortetijdperk

De ontsluitingsperiode Tijdens de ontsluitingsperiode zorgen de ontsluitingsweeën ervoor dat de baarmoedermond geopend wordt. Bij tien centimeter ontsluiting vormen de baarmoeder en de vagina één geheel, het zogenaamde geboortekanaal. Dit is zo wijd dat de baby erdoor kan. De baby kan nu geboren worden. De verloskundige of gynaecoloog voelt tijdens de ontsluitingsperiode regelmatig hoeveel centimeter ontsluiting er is. Dit gebeurt met twee vingers en wordt vaginaal toucheren genoemd.

De verpleegkundige zorg tijdens de ontsluitingsperiode wordt in belangrijke mate bepaald door de behoeften van de barende vrouw. Voorbeelden van verpleegkundige zorg in deze fase zijn:

  • Bevorderen van rust De meeste vrouwen vinden het prettig als het tijdens de ontsluitingsperiode rustig om hen heen is. De verpleegkundige zorgt voor de gewenste rust en gaat in op behoeften van de vrouw en haar partner
  • Begeleiden van de ademhalingstechniek Veel vrouwen leren tijdens de zwangerschapscursus hoe ze zich op hun ademhaling kunnen concentreren. Dit is van belang om de weeën goed op te kunnen vangen. De verpleegkundige kan de vrouw helpen bij het zoeken naar een goed ademhalingsritme
  • Helpen bij het vinden van een prettige houding Bij het opvangen van de weeën is de houding belangrijk. De ene vrouw ligt graag op haar zij terwijl de ander liever op de knieën naast het bed zit. De verpleegkundige kan tips geven en helpen bij het veranderen van houding
  • Ondersteunen van de partner De bevalling is ook voor de partner een ingrijpende gebeurtenis. De verpleegkundige betrekt hem er zoveel mogelijk bij. De partner kan bijvoorbeeld de rug van de vrouw masseren om de weeënpijn te verlichten of gewoon haar hand vasthouden. Alleen al de aanwezigheid van de partner is voor veel vrouwen erg prettig. Soms kan de vrouw tijdens de weeën agressief worden tegen haar partner. De verpleegkundige kan de vrouw wat kalmeren en uitleggen dat dit bij de laatste weeën kan h oren
  • Observeren van de barende vrouw De verpleegkundige houdt de volgende zaken na uwlett end in de gaten: Plast ze regelmatig? Hoe vaak krijgt ze weeën? Hoeveel pijn heeft ze? De verpleegkundige noteert alle bijzonderheden

De uitdrijvingsperiode Tijdens de uitdrijvingsperiode zorgen de persweeën ervoor, dat de baby naar buiten wordt gedreven. Dit duurt bij een eerste bevalling gemiddeld een uur. Bij een tweede of volgende bevalling duurt het gemiddeld een half uur. Ook in de uitdrijvingsperiode is de verpleegkundige zorg voor een belangrijk deel afhankelijk van het verloop van de bevalling en de behoeften van de barende vrouw. Verpleegkundige zorg tijdens de uitdrijving is onder andere:

  • Begeleiden bij het vinden van de gewenste pershouding Er zijn verschillende houdingen mogelijk om te persen. Zo kan de vrouw liggend of half zittend bevallen, of gebruik maken van een speciale baarkruk.
  • Informeren over perstechniek De vrouw stimuleren om spontaan mee te persen tijdens een perswee. Dit duurt vier tot zes seconden. De kans op inscheuren wordt kleiner en afwijkingen in het CTG komen minder vaak voor, dan wanneer de barende zo hard en lang mogelijk mee perst.
  • Verschonen van de onderlaag Tijdens het persen kan wat urine en ontlasting naar buiten worden geperst. Dit is normaal en zorgt ervoor, dat er meer ruimte komt voor het kind.
  • Betrekken van de partner bij de bevalling De rol van de partner in deze fase is afhankelijk van de houding van de vrouw en de wensen van de vrouw en haar partner. De partner kan bijvoorbeeld het hoofd of de rug ondersteunen. Als de partner wil, kan hij de geboorte volgen.
  • Uitleg geven als er speciale ingrepen nodig zijn Het kan nodig zijn dat de vrouw moet worden ingeknipt, of dat de bevalling met een vacuümpomp of tangverlossing wordt beëindigd.
  • Aansporen de aanwijzingen van arts of verloskundige op te volgen Tijdens de laatste persweeën, als het hoofdje geboren wordt, moet de vrouw af en toe zuchten om de vagina geleidelijk op te laten rekken. De vagina is nu helemaal gespannen en kan bij te hard persen scheuren. Af en toe mag de vrouw een beetje persen.
  • Aanmoedigen De baby is bijna geboren. De verpleegkundige spreekt de vrouw moed in om nog even vol te houden en haar zo helpen om die laatste, vaak moeilijke fase door te komen.

Het nageboortetijdperk Met het nageboortetijdperk bedoelen we de fase na de geboorte van het kind. De placenta (moederkoek) komt los van de baarmoederwand en het kind wordt geboren. De geboorte van de placenta is een belangrijk onderdeel van de bevalling en dus niet iets dat er ‘nog even nakomt’. Het is belangrijk dat de placenta in zijn geheel wordt geboren, omdat er anders stolsels achter kunnen blijven. De duur van het nageboortetijdperk varieert van enkele minuten tot een half uur.

De verpleegkundige assisteert de verloskundige of arts tijdens het nageboortetijdperk, onder andere door een speciale po aan te geven waarin de placenta wordt opgevangen. Als de vrouw tijdens de bevalling is ingescheurd, legt de verpleegkundige de benodigdheden voor het hechten klaar.

Na de bevalling

Verpleegkundige zorg na de bevalling In de eerste fase na de bevalling gebeurt er van alles met moeder en kind. De verpleegkundige zorg na de bevalling bestaat uit:

  • zorg voor de baby
  • zorg voor de kraamvrouw

Zorg voor de baby De zorg voor de baby bestaat uit:

  • uitzuigen van de luchtwegen
  • bepalen van de Apgar-score
  • afnavelen
  • overige controles

Uitzuigen van de luchtwegen Soms is het nodig dat de luchtwegen van uw baby direct na de geboorte worden uitgezogen met een slangetje en een zuigertje. Dit is om te voorkomen dat uw kind slijm in de longen krijgt, waardoor het ademhalen wordt bemoeilijkt. Vaak wordt alleen het neusje afgeveegd tijdens de geboorte.

Bepalen van de Apgar-score De Apgar-score geeft weer hoe uw kind de periode rond de bevalling heeft doorstaan. Het is een cijfer tussen nul en tien.

  • een score tussen zeven en tien punten: uw kind is in goede conditie
  • een score tussen vier en zes punten: uw kind heeft het moeilijk gehad in de periode rond de bevalling
  • een score tussen nul en drie punten: uw kind heeft ernstige problemen ondervonden in de periode rond de de geboorte

De Apgar-score wordt een aantal keer na de geboorte bepaald, meestal na één, vijf en tien minuten. De score bij vijf en tien minuten na de geboorte is belangrijker dan de score na één minuut. Meer hierover kunt u lezen in de informatiefolder 'Apgar-score’.

Afnavelen Na de geboorte wordt de navelstreng doorgeknipt. De verloskundige of arts strijkt een stukje van de navelstreng vanaf de buik van de baby richting de moederkoek leeg. Hierna plaatst hij er twee klemmetjes (kochers) op, waarna de navelstreng wordt doorgeknipt. Dit wordt, op aanwijzing van de arts of verloskundige, vaak door de partner gedaan. Bij de baby blijft een navelstompje over, dat zo’n vier tot zes centimeter lang is. Dit stompje wordt met een navelstrengklemmetje dicht geklemd. Het navelstompje droogt de komende week in, steeds donkerder van kleur worden en uiteindelijk samen met het klemmetje afvallen. Het litteken dat hierna ontstaat, wordt de navel.

Overige controles Andere controles die de arts of verloskundige doet:

  • controle van de heupen op beweeglijkheid
  • controle of uw baby nergens zichtbare afwijkingen heeft
  • controle of bij jongetjes de zaadballen zijn ingedaald
  • controle van de reflexen van uw baby

De arts of verloskundige controleert de volgende reflexen:

  • de grijpreflex: als je een vinger in de handpalm van de baby legt, grijpt de baby de vinger vast
  • de zuigreflex: als je een vingertop in de mond van de baby legt, gaat de baby er krachtig aan zuigen
  • de zoekreflex: als je de wang van de baby aanraakt, draait de baby met zijn mond in de richting van de aanraking
  • schrikreflex: als je de baby een klein beetje naar achter laat vallen, zal de baby de armen spreiden en de handen openen Als één of meer reflexen van de baby niet goed zijn, is verder onderzoek door een arts noodzakelijk.

Zorg voor de kraamvrouw Als de bevalling helemaal achter de rug is (dus ook de geboorte van de moederkoek), zal de verpleegkundige ervoor zorgen dat de kersverse moeder, vader en baby voldoende rust krijgen om al wat aan elkaar te wennen. De eerste uren na de geboorte zijn erg belangrijk voor de binding van moeder en kind. De baby heeft al sterk ontwikkelde zintuigfuncties en is het eerste uur na de geboorte heel wakker. Het zoekt contact door te huilen en te bewegen. Ook is er oogcontact. De baby kan meteen aan de borst worden gelegd en zal meteen gaan zuigen; de zuigreflex is nu namelijk heel sterk. De verpleegkundige kan u helpen bij de eerste keer aanleggen. Daarnaast is observatie erg belangrijk. Hierbij gaat het in eerste instantie om de algemene i ndruk van de moeder. Is ze aanspreekbaar? Is ze erg vermoeid?

De verpleegkundige controleert de volgende zaken:

  • bovenste gedeelte van de baarmoed erwand (fundus) De fundus moet goed samengetrokken zijn. De verpleegkundige voelt of dit het geval is
  • de hoeveelheid bloedverlies Het is normaal dat de vrouw in het nageboortetijdperk zo’n 300 tot 500 milliliter bloed verliest, maar dit mag niet veel hoger zijn
  • pols en bloeddruk Dit om verschijnselen van teveel bloedverlies tijdig te signaleren
  • blaasvulling Als de blaas vol is, leidt dit ertoe dat de baarmoeder moeilijker samen kan trekken

Naast observatie, neemt de verpleegkundige ook de lichamelijke verzorging van de moeder op zich. Hierbij gaat het vooral om het wassen van het lichaam, met name de borsten en het onderlichaam. Hierna gaat de vrouw naar de kraamafdeling of, na de meeste poliklinische bevallingen, meteen naar huis. Er vindt hierbij mondelinge en schriftelijke overdracht plaats over het verloop van de bevalling en de toestand van moeder en kind, met de eigen verloskundige en de huisarts.

Naar de kraamafdeling

Na een poliklinische bevalling kunt u meestal na enkele uren alweer naar huis. Soms is het nodig dat u nog een tijdje op de kraamafdeling blijft. Na een klinische bevalling brengt u waarschijnlijk ook enige tijd door op de kraamafdeling.

Op de kraamafdeling ligt u meestal met een of enkele andere kraamvrouwen op een kamer. Uw baby staat overdag in principe naast uw bed in een rijdbare wieg. ’s Nachts worden de wiegjes in de meeste ziekenhuizen naar de babykamer gebracht. Dit is om de nachtrust van alle moeders te bevorderen.

Wat betreft het ontvangen van bezoek geldt, dat uw partner doorlopend op de afdeling mag komen, uitgezonderd een periode vroeg in de middag waarop moeder en kind rusten. Voor het overige bezoek gelden bezoekuren (meestal ’s middags en ’s avonds).

Verpleegkundige zorg voor de moeder Naast de ‘normale’ lichamelijke verzorging van de moeder, die door de kraamverzorgende of kraamverpleegkundige wordt uitgevoerd, is er speciale aandacht voor de volgende aspecten:

  • De algemene toestand van de kraamvrouw Is de kraamvrouw bijvoorbeeld erg bleek of lusteloos, of juist alweer heel energiek?
  • Temperatuur, pols en bloeddruk
  • Stand en contractie van de fundus (baarmoeder) Dit wordt in de eerste dagen na de bevalling dagelijks gecontroleerd. Vlak na de bevalling zit de fundus 1 à 2 centimeter onder de navel. Omdat de baarmoeder dan samentrekt, voelt deze heel hard aan. In de loop van de kraamtijd zakt de baarmoeder steeds verder
  • Wondvocht (lochia) Dit is het wondvocht uit de baarmoeder, dat de kraamvrouw tot zo’n vier weken na de bevalling afscheidt. Wondvocht heeft normaal een wat weeïge geur. Een scherpe, onaangename geur kan op een infectie wijzen
  • Urineproductie Veel kraamvrouwen hebben na de bevalling moeite met plassen. Vaak voelen ze weinig aandrang, terwijl de blaas wel vol is. Ook kan het plassen pijnlijk zijn. Het is belangrijk om binnen een dag na de bevalling weer te plassen, omdat een volle blaas verhindert dat de baarmoeder samentrekt. Als dit niet op natuurlijke wijze lukt, wordt doorgaans gecatheteriseerd.
  • Ontlasting Ook de ontlasting kan na de bevalling problemen opleveren, bijvoorbeeld omdat de vrouw bij het persen last van aambeien heeft gekregen of is ingescheurd. Licht laxerende voeding kan dan helpen
  • Perineum Dit is het gebied tussen de vagina en de anus en kan een bron van infectie zijn. Een ontsteking hiervan is niet alleen erg pijnlijk, maar kan bovendien overslaan naar de inwendige geslachtsorganen. Zorgvuldige observatie en hygiëne zijn dus essentieel
  • Bewegen Door snel na de bevalling (ongeveer na een dag) weer te bewegen, komt de blaas- en darmwerking sneller op gang. Bewegen is ook goed voor de bloedcirculatie
  • Borsten De borsten zijn na de bevalling erg kwetsbaar en worden regelmatig gecontroleerd op kleur en aanwezigheid van pijnlijke plekken. Als u borstvoeding wilt geven, besteedt de kraamverpleegkundige of –verzorgende hier aandacht aan, bijvoorbeeld wat de meest geschikte manier is om aan te leggen en hoe vaak u borstvoeding geeft. Als u borstvoeding wilt geven, is het verstandig om u hier vooraf goed in te verdiepen. Dit kunt u doen door boeken over dit onderwerp te lezen, of door voorlichtingsavonden te bezoeken.

Verpleegkundige zorg voor de baby Ook voor de baby geldt dat observatie belangrijk is. Naast de lichamelijke verzorging van de baby wordt er speciaal gelet op:

  • Ademhaling De baby moet na de geboorte zelfstandig gaan ademhalen. De verpleegkundige observeert snelheid, regelmaat en geluid
  • Kleur De normale kleur van de pasgeborene is rozerood. Afwijkende kleuren zoals blauw, wit of geel maken nader onderzoek noodzakelijk
  • Temperatuur Deze moet ongeveer tussen 36,5 en 37,2 °C liggen
  • Gewicht In de eerste pe riode na de bevalling verliezen baby’s meestal zo’n 5 tot 10% van hun geboorte gewicht, daa rna stijgt hun gewicht weer
  • Urine en ontlasting De verpleegkundige observeert of dit binnen 24 uur na de bevalling op gang komt. Als dit niet het geval is, wordt de arts gewaarschuwd

Als u bent opgenomen op de kraamafdeling beslist de gynaecoloog wanneer u weer naar huis mag gaan. De verpleegkundige maakt een overdracht voor de kraamverzorgende waarin eventuele bijzonderheden te lezen zijn.

In samenwerking met

Drs. M.P.C. Muizelaar-Jacobs (auteur) Drs. A.A.H.H. Liedtke - van Eijck (consulent)

Bronnen

  • NHG Standaard: Zwangerschap en kraamperiode.
  • Marian Nicholls- van Vliet, Ria Segeren, Jeanne van Zegveld, Kraamverpleegkunde met bijbehorende verloskunde, Rijswijk 1995, derde druk.
  • P.E. Treffers en M. Prins, Praktische verloskunde, Houten 1999, tiende herziene druk.
  • Andrea van Eijck et al, Verplegen van zwangeren, barenden, kraamvrouwen en pasgeborenen deel 1, Groningen 1998.

Pagina laatst aangepast op 24 juni 2019


Gerelateerd