Als zwanger worden niet lukt

Wat als zwanger worden niet lukt?

Deze informatiefolder is bedoeld voor degenen met een kinderwens, waarbij het zwanger worden op zich laat wachten. U vindt hier informatie over:

  • hoe lang het gemiddeld duurt voordat een vrouw zwanger is
  • wanneer u beter met de huisarts kunt overleggen
  • wat u zelf kunt doen
  • wat u kunt verwachten nadat u verwezen bent voor verder onderzoek

De informatie in deze folder is algemeen en hoeft dus niet altijd op uw situatie van toepassing te zijn. De kans op een zwangerschap bij een vrouw die regelmatig seks heeft, geen voorbehoedsmiddelen gebruikt en een regelmatige menstruatie heeft, is gemiddeld 15%. Gemiddeld wordt 80 tot 90% van de vrouwen in het eerste jaar zwanger. Wanneer een paar serieus probeert zwanger te worden en dit na een jaar nog niet gelukt is, wordt gesproken van subfertiliteit. Dit is de medische term voor verminderd vruchtbaar zijn.

Symptomen als zwanger worden niet lukt

Bij ongeveer 25% van de vrouwen bestaat een vruchtbaarheidsstoornis. Bij 13% van de vrouwen wordt dit duidelijk op het moment dat zij voor de eerste keer zwanger willen worden. Er wordt dan gesproken van een primaire vruchtbaarheidsstoornis. Bij de andere vrouwen wordt de stoornis pas duidelijk op het moment dat ze nog eens zwanger willen worden.

Hoe komt het dat zwanger worden niet lukt?

Bij ongeveer 30% van de paren met een vruchtbaarheidsstoornis ligt de oorzaak bij de man; bij 20% bij de man en de vrouw en bij 50% bij de vrouw. Het kan ook voorkomen dat er geen duidelijke oorzaak gevonden wordt. Oorzaken bij de man Een verminderde vruchtbaarheid van de man heeft bijna altijd te maken met het sperma. De oorzaak van sperma-afwijkingen kan aangeboren zijn of later verworven en is niet altijd te achterhalen. Het kan te maken hebben met factoren zoals roken, alcoholgebruik, een aangeboren stoornis in de aanmaak van zaadcellen, een doorgemaakte geslachtsziekte of zaadbalontsteking (bof), verwondingen of operaties aan de zaadballen, medicijngebruik, blootstelling aan schadelijke stoffen, bestraling en chemotherapie. Sperma-afwijkingen kunnen worden onderverdeeld in drie groepen:

  • Te weinig zaadcellen Normaal bevat een zaadlozing (ejaculaat) gemiddeld 100 tot 200 miljoen zaadcellen. Dit komt overeen met 20 tot 50 miljoen zaadcellen per milliliter ejaculaat. Als er minder dan 20 miljoen zaadcellen per m33illiliter ejaculaat aanwezig zijn, wordt gesproken van verminderde vruchtbaarheid (subfertiliteit). Het duurt dan meestal langer voordat de vrouw zwanger wordt.Zijn er minder dan tien miljoen zaadcellen per milliliter ejaculaat (oligozoöspermie), dan is de kans op zwangerschap nog lager. Pas bij minder dan vijf miljoen zaadcellen per milliliter, is de kans op kinderloosheid duidelijk verhoogd. Ook is het mogelijk dat er helemaal geen zaadcellen in het ejaculaat zitten (azoöspermie).
  • Te weinig bewegende zaadcellen In een normaal ejaculaat beweegt minimaal 50% van het zaad en moet minimaal 25% goed zwemmen. Als er minder dan 25% zaadcellen goed zwemmen (asthenozoöspermie), duurt het langer voordat de vrouw zwanger is. Beweegt minder dan 20% van de zaadcellen goed, dan is de kans op een natuurlijke zwangerschap lager.
  • Te weinig goed gevormde zaadcellen Naast de beweeglijkheid is ook de vorm van de zaadcellen belangrijk. Bij iedere man komen er misvormde zaadcellen voor in het sperma. Als dit meer is dan 70% van het zaad (teratozoöspermie), duurt het langer voordat een zwangerschap tot stand komt. Wanneer meer dan 80% van de zaadcellen geen goede vorm heeft, is de kans op een natuurlijke zwangerschap lager.

Oorzaken bij de vrouw De meest voorkomende oorzaken van vruchtbaarheidsstoornissen bij de vrouw zijn cyclusstoornissen, afwijkingen aan de eileiders en eilandjes van baarmoederslijmvlies in de buik (endometriose). Daarnaast kunnen medicijngebruik, chemotherapie, buikoperaties en doorgemaakte geslachtsziektes de vruchtbaarheid verminderen.

  • Cyclusstoornissen Bij ongeveer 20% van de vrouwen die verminderd vruchtbaar zijn, is de oorzaak een cyclusstoornis. Normaal gesproken vindt er elke maand een eisprong plaats, die veertien dagen later wordt gevolgd door de menstruatie. Vrouwen met een cyclusstoornis hebben minder vaak of geen eisprong.Veel cyclusstoornissen zijn goed te behandelen met hormonen, waardoor uiteindelijk wel een eisprong plaatsvindt en zo de mogelijkheid tot zwanger worden ontstaat. Soms wordt de cyclusstoornis veroorzaakt door het zogenaamde polycysteus ovariumsyndroom. Deze goedaardige afwijking gaat vaak gepaard met overmatige haargroei en gewichtstoename. Met hormonen is het vaak mogelijk om toch een eisprong op te wekken.
  • Afwijkingen aan de eileiders Bij ongeveer 14% van de vrouwen die verminderd vruchtbaar zijn, ligt de oorzaak in afwijkingen aan de eileiders. Die kunnen zijn ontstaan door ontstekingen die vanuit de vagina zijn opgestegen naar het gebied rondom de eileiders. De ontsteking leidt tot de vorming van littekenwee fsel, waardoor de eileiders afgesloten kunnen zijn of verkleefd zijn. De eileiders kunnen dan niet meer het eitje na de eisprong opvangen. Veel van deze afwijkingen kunnen operatief worden behandeld.
  • Endometriose Bij vrouwen met endometriose bevindt het baarmoederslijmvlies zich niet alleen in de baarmoeder, maar ook op andere plaatsen in de buik. Lichte vormen hiervan lijken de vruchtbaarheid niet te beïnvloeden en worden daarom niet behandeld. Ernstiger vormen van endometriose kunnen leiden tot verklevingen van de eileiders, waardoor de functie ervan en dus de vruchtbaarheid vermindert. De eileiders kunnen zelfs helemaal afgesloten zijn. Het gebruik van bepaalde hormonen kan de verklevingen laten verschrompelen. Tijdens zo’n tablettenkuur vindt er geen eisprong plaats en is de vrouw dus onvruchtbaar. Dat kan een probleem zijn voor vrouwen die snel zwanger willen worden, bijvoorbeeld vanwege hun leeftijd. Helaas heeft de kuur geen aantoonbaar gunstig effect op de vruchtbaarheid.

Is het ernstig en wat kunt u verwachten?

Hoewel 25% van de vrouwen een vruchtbaarheidsstoornis heeft, lukt het maar bij 3% van de vrouwen echt niet om zwanger te worden. Bij hen wordt gesproken van primaire infertiliteit (onvruchtbaarheid). Ongeveer 6% van de vrouwen heeft een secundaire infertiliteitsstoornis en krijgt daardoor minder kinderen dan gewenst. Dus ook wanneer u binnen een jaar niet zwanger bent, is de kans groot dat u het uiteindelijk toch wordt.

Wanneer naar de huisarts?

Als u na een jaar niet zwanger bent geworden, kunt u contact met uw huisarts opnemen. Bent u ouder dan vijfendertig jaar, dan kunt u uw huisarts al na een half jaar raadplegen. De optimale leeftijd voor uw lichaam om zwanger te raken is tussen de twintig en dertig jaar. Hoe ouder u bent, hoe langer het duurt voordat u zwanger wordt. Ook is het raadzaam om naar uw huisarts te gaan als u denkt dat u meer dan twee keer zwanger bent geweest maar in een heel vroeg stadium het vruchtje heeft verloren (een miskraam). Als u denkt dat er medische zaken uit het verleden mogelijk een rol spelen, kunt u ook altijd contact met uw huisarts opnemen.

Wat kunt u er zelf aan doen?

Voordat u naar de huisarts gaat, is er een aantal dingen die u eerst zelf kunt doen.

Basale temperatuurscurve bijhouden

Door het bijhouden van een basale temperatuurcurve krijgt u inzicht in uw cyclus. Aan de hand van de lichaamstemperatuur kunt u of uw huisarts nagaan of er bij u een eisprong plaatsvindt en zo ja, wanneer in de cyclus. Na de eisprong ligt de lichaamstemperatuur wat hoger.

Matig (zijn) met alcohol en niet roken

Roken en het gebruik van meer dan twee alcoholische consumpties per dag kunnen de vruchtbaarheid verminderen.

Eventuele problemen met de geslachtsgemeenschap oplossen

Hoewel problemen met vrijen bijna nooit de oorzaak zijn van het niet zwanger worden, kunnen verschillende problemen rond de seksuele omgang optreden. Juist omdat u seks nu misschien ervaart als iets wat ‘moet’ kan het spanning opleveren. Het is goed om hierover openlijk met uw partner en desgewenst ook met uw huisarts te praten.

Impotentie

Impotentie houdt in dat een man tijdens seksuele opwinding geen of onvoldoende erectie krijgt, waardoor geslachtsgemeenschap niet mogelijk is. Impotentie kan op elke leeftijd voorkomen, maar de kans neemt toe naarmate men ouder wordt. Van de mannen van vijfenzestig jaar of ouder heeft een kwart te maken met impotentie. Impotentie staat dus geheel los van het 'minder zin hebben in vrijen', ofwel libidoverlies.

Geen zin in seks

In de medische wereld wordt ‘geen zin in seks’ aangegeven als verminderd libido. Dit houdt in het niet meer snel seksueel opgewonden raken en minder plezier beleven aan seks. Er kunnen lichamelijke oorzaken aan ten grondslag liggen, maar meestal gaat het om (tijdelijke) psychologische problemen of relatieproblemen. Geen zin hebben in seks komt vaak voor: ongeveer 20% van de vrouwen en 15% van de mannen geeft aan er last van te hebben.

Vaginisme

Sommige vrouwen hebben, meestal als gevolg van een traumatische jeugdervaring, een verkramping van de vagina bij aanraking. Deze verkramping kan zo heftig zijn, dat het onmogelijk is voor de man om met de penis de vagina binnen te komen. Dit probleem kan zeer frustrerend en hardnekkig zijn. Blijf er daarom niet mee rondlopen maar maak samen met uw partner een afspraak bij uw huisarts. Met veel geduld en goede therapie kan het volledig overgaan.

Pijn bij het vrijen

Pijn bij het vrijen, ook dyspareunie genoemd, komt vaak voor. De pijn treedt op tijdens de geslachtsgemeenschap. Soms is door dyspareunie geen geslachtsgemeenschap mogelijk. Ongeveer 10% van de vrouwen en 5% van de mannen heeft hier mee te maken.

Droge vagina tijdens seks

In de vagina bevinden zich kliertjes die vocht produceren: de vagina blijft hierdoor vochtig. Tijdens seksueel contact wordt extra vocht afgescheiden, waardoor de penis gemakkelijk in de vagina kan komen. Een droge vagina wordt vaak veroorzaakt door een verminderde werking van deze kliertjes. Dit kan op elke leeftijd voorkomen, maar de kans is groter na de overgang.

Welke onderzoeken zijn mogelijk als zwanger worden niet lukt?

Gesprek

Als u denkt verminderd vruchtbaar te zijn en hiervoor naar de huisarts gaat, wil hij eerst met u en uw partner praten. Door het stellen van vragen probeert hij achter de oorzaken van verminderde vruchtbaarheid te komen. Verschillende organen en hormonen spelen een rol bij de vruchtbaarheid. Door gericht te vragen kan de huisarts soms al ontdekken welk orgaan(systeem) niet functioneert. Ook stelt de huisarts u vragen over uw seksuele verleden. Het is voor u misschien niet altijd prettig om over dergelijke onderwerpen te praten. Maar de huisarts heeft met veel mensen gesprekken over seks en vruchtbaarheid. Hij vindt het daarom heel gewoon om over dit onderwerp te praten. Wanneer u het moeilijk vindt om in het bijzijn van uw partner te praten over uw seksuele verleden, kunt u na het consult zelf nog een keer contact opnemen met uw huisarts. Er zijn huisartsen die u daarna direct doorverwijzen naar een gynaecoloog. Andere huisartsen doen eerst nog aanvullend onderzoek.

Lichamelijk onderzoek

Bij lichamelijk onderzoek bekijkt de arts uw lichaamsbouw, lengte en beharingspatroon. Dit kan namelijk aanwijzingen opleveren over de oorzaak van de verminderde vruchtbaarheid. De arts bekijkt van u en uw partner de geslachtsorganen. Bij de man voelt de arts naar de grootte van de zaadballen, de zaadleider en kijkt hij of er uitvloed uit de penis komt. Bij de vrouw vindt een inwendig onderzoek plaats. Zij moet daarvoor op de rug liggen met de voeten in de steunen. Met een eendenbek (speculum) houdt de arts de vagina open en kan hij kijken naar de baarmoedermond. Hij neemt een beetje slijm af voor onderzoek. Daarna haalt de arts het speculum uit de vagina en begint met een inwendig onderzoek. Met twee vingers in de vagina en één hand op de buik voelt de huisarts naar de baarmoedergrootte en de eierstokken.

Basale temperatuurscurve

De arts kan veel informatie verkrijgen uit een basale temperatuurcurve. Het is prettig wanneer u dit, voordat u naar de arts gaat, drie maanden heeft bijgehouden. Dit traject van het onderzoek is dan afgesloten en de arts kan meteen verder gaan met de behandeling of ander aanvullend onderzoek. Dit bespaart ook u tijd.

Zaadonderzoek

Voor een zaadonderzoek krijgt de man van de arts een speciaal potje mee. Dit potje moet gevuld worden met zaad uit een verse zaadlozing en wordt vervolgens naar het laboratorium gebracht. De man moet door zelfbevrediging een zaadlozing opwekken. Meestal vraagt het laboratorium om twee dagen voor deze zaadlozing geen seks te hebben of te masturberen, omdat dat goed is voor de kwaliteit van het zaad. Het laboratorium onderzoekt de hoeveelheid, de vorm en de kwaliteit van het zaad. Wanneer het onderzoek door de gynaecoloog wordt aangevraagd, bestaat vaak de mogelijkheid om in een aparte ruimte in het ziekenhuis te masturberen. In deze ruimte is materiaal voor erotische opwinding aanwezig, zoals videobanden en tijdschriften. Ook is het mogelijk dat de partner meegaat.

Na het vrijen test (postcoïtumtest)

De postcoïtumtest geeft veel informatie over de verschillende aspecten van vruchtbaarheid. Deze test wordt vaak door de huisarts gedaan, maar kan ook in het ziekenhuis plaatsvinden. U krijgt opdracht om rond de eisprong met uw partner onbeschermde geslachtsgemeenschap te hebben. De dag daarna doet de arts een inwendig onderzoek bij de vrouw en zuigt met een pipetje wat slijm uit de baarmoedermond op. De arts beoordeelt de kwaliteit van dit slijm en bekijkt onder de microscoop of er zaadcellen in het slijm aanwezig zijn. De test is goed als er minimaal één zwemmende spermacel in het baarmoederslijm zit.

Bloedonderzoek naar chlamydia

Chlamydia is een geslachtsziekte die zowel bij mannen als bij vrouwen voorkomt. Met name vrouwen kunnen een chlamydia-infectie hebben doorgemaakt, zonder daar ooit last van gehad te hebben. Soms treden er wel klachten op van een branderig gevoel bij plassen, vieze vaginale afscheiding en eileiderontsteking. Als de infectie lang onbehandeld blijft, kan dat leiden tot onvruchtbaarheid. Door bloedonderzoek kan de arts nagaan of u ooit een dergelijke infectie hebt doorgemaakt. Chlamydia is over het algemeen goed te behandelen.

Echo-onderzoek

Als de arts meer informatie wil over de inwendige organen, kan hij een echo doen. Een echo van de vrouwelijke geslachtsorganen kan op twee manieren worden verricht: inwendig en uitwendig. Voor een uitwendige echo moet de vrouw een volle blaas hebben. Door middel van geluidsgolven kunnen de inwendige organen worden beoordeeld op vorm en grootte. Eventuele cysten aan de eierstokken of vleesbomen in de baarmoeder kan de arts op deze manier zichtbaar maken. Voor een inwendige echo brengt de gynaecoloog een staafvormige echokijker in de vagina in. Dit doet geen pijn, maar geeft wel even een raar gevoel. Met deze echo zijn de eierstokken en de baarmoeder beter af te beelden.

Kijkoperatie

Als u bent doorverwezen naar de gynaecoloog, maakt hij in sommige gevallen een afspraak met u voor een kijkoperatie (laparoscopie). U krijgt dan een algehele narcose. Daarna maakt de arts een klein sneetje in de navel. Hierdoor brengt hij een buisje naar binnen. Door dit buisje wordt de buik opgeblazen met een speciaal gas, waardoor er ruimte tussen de inwendige organen komt. Hierna wordt een kijkertje door hetzelfde of een tweede sneetje in de buik ingebracht en kan de arts in de buik kijken. Hij kan dan de eierstokken, de baarmoeder en omliggende organen beoordelen. Ook kan hij onderzoeken of er baarmoederslijmvlies in de buikholte aanwezig is (endometriose) en of ontstekingsresten te zien zijn. Als het nodig is neemt hij kleine stukjes weefsel (biopsie) weg, die onder de microscoop bekeken kunnen worden. Als de arts klaar is, laat hij het gas weer ontsnappen en worden de gaatjes gehecht; soms is alleen een pleister voldoende. Vlak na de ingreep wordt u weer wakker en aan het einde van de dag mag u naar huis.

Welke behandelingsmogelijkheden zijn er als zwanger worden niet lukt?

Afhankelijk van de oorzaak van uw vruchtbaarheidsproblemen, bestaan hier verschillende behandelingsmogelijkheden voor. Wanneer er geen oorzaak is gevonden, kan de arts u aanraden nog even door te gaan met proberen zwanger te worden.  De behandelmethoden:

Hormoonbehandeling

Als er bij de vrouw iets mis is met de hormoonhuishouding, kan een hormoonbehandeling goed helpen. Deze bestaat uit hormonen (tabletten en soms injecties) die een normale cyclus met een eisprong helpen op wekken.

Operatie

Als er een afsluiting is in uw eileiders, kan met een operatie worden geprobeerd om de doorgang door de eileiders te openen. Zo'n operatie is ingrijpend en de resultaten kunnen nogal eens tegenvallen.

Kunstmatige inseminatie

Er zijn verschillende vormen van kunstmatige inseminatie (KI). Inseminatie betekent letterlijk ‘inzaaien’ en houdt in dat zaad, kunstmatig in de baarmoeder van de vrouw wordt gebracht.

In vitro fertilisatie (IVF)

In vitro fertilisatie (IVF) is een bevruchting (fertilisatie) in glas (in vitro), ook wel een reageerbuisbevruchting genoemd. Meestal kiest men voor IVF, bij afwijkingen aan de eileiders en woekeringen van het baarmoederslijmvlies (endometriose).

Intra cytoplasmatische sperma-injectie (ICSI)

Als de spermakwaliteit slecht is, kan voor ICSI worden gekozen. ICSI is een intra cytoplasmatische sperma-injectie. Daarbij wordt in het laboratorium één spermacel geselecteerd, die met een zeer dunne injectienaald (rechtstreeks) in een eicel wordt geïnjecteerd. Verder is er geen verschil met de gewone IVF-procedure.

Eiceldonatie

Eiceldonatie kan een uitkomst zijn voor paren die een eigen kind willen, maar waarbij de vrouw geen eigen eicellen heeft of een erfelijke aandoening heeft.  Een andere vrouw krijgt een IVF-voorbehandeling waarbij eitjes worden gewonnen. Met het zaad van de eigen partner wordt het donoreitje bevrucht en daarna in de baarmoeder gespoten van de vrouw die graag zwanger wil worden.

In samenwerking met

Drs. H.A. Vrij-Mazee (auteur) Drs. A.A.H.H. Liedtke - van Eijck (auteur) Prof. Dr. T.K.A.B. Eskes (auteur) Drs. E.G.C. van Seumeren (consulent)

Bronnen

  • NHG-Standaard Subfertiliteit 2010
  • JG Nijhuis. Compendium Prenatale zorg. Elsevier Gezondheidszorg 3e druk 2001
  • Huisarts en erfelijkheid - een praktische wegwijzer VSOP februari 2000
  • De rol van de huisarts bij subfertiliteit: diagnostisch beleid en verwijzing. Patient Care maart 2002; 39-48
  • Copper RL, Goldenberg RL, Das A et al. The preterm prediction study: maternal stress is associated with spontaneous preterm birth at less than 35 weeks’ gestation. Am J Obstet Gynecol 1996; 175: 1286-92.
  • Draper ES, Kurinczuk JJ, Abrams KR, Clarke M Assessment of separate contributions to perinatal mortality of infertility history and treatment: a case-control analysis. Lancet 1999; 353: 1746-9.
  • Treffers PE, Heintz APM, Keirse MJNC et al, De voortplanting van de mens. Wet Uitg Bunge , Utrecht 1995.
  • Ezra Y, Schenker JG. Appraisal of in vitro fertilization. Eur J Obstet Gynecol Reprod Biol 1993; 48: 127-33.
  • Khatak S, K- MoghtaderG, McMartin K et al. Pregnancy outcome following gestational exposure to organic solvents. A prospective controlled study. JAMA 1999; 281: 1106-09
  • Lockwood CJ. Stress-associated preterm delivery: the role of corticotropin- releasing hormone Am J Obstet Gynecol 1999; 180: S 64- 66
  • McFaul PB, Patel N, Mills J. An audit of the obstetric outcome of 148 consecutive pregnancies from assisted conception: implications for neonatal services. Br J Obstet Gynaecol 1993; 100: 820- 25.
  • Tallo Chr P, Vohr B, Oh W et al. Maternal and neonatal morbidity associated with in vitro fertilization. J Pediatr 1995; 127: 794-800.
  • Venn A, Lumley J. Births after a period of infertility in Victorian women 1982-1990. Aust - NZ J Obstet Gynaecol 1993; 33: 379-84.

Pagina laatst aangepast op 24 juni 2019


Gerelateerd