Hoe ontstaat het?

Verschillende factoren kunnen een rol kunnen spelen bij het ontstaan van een paniekstoornis.

Manier van waarnemen
Mensen die last hebben van paniekaanvallen blijken vaak sneller signalen die zij van buitenaf of vanuit hun lichaam krijgen, als angst aanjagend te ervaren. Daarbij zijn ze zich vaak veel bewuster van mogelijke bedreigingen. Zo zal het overslaan van het hart, wat ook bij gezonde mensen vaak voorkomt, door sommige mensen niet of nauwelijks gevoeld worden. Maar iemand met een angstige aanleg zal dit waarschijnlijk wel voelen en bang worden voor een hartafwijking. Het lichaam kan op deze angst reageren met bijvoorbeeld hartkloppingen, misselijkheid en duizeligheid. Dit zal de angst nog groter maken. Deze vicieuze cirkel kan zich ontwikkelen tot een volledige paniekaanval.

Erfelijkheid
Erfelijke factoren lijken de mate van angstgevoeligheid sterk te bepalen. Bij kinderen zijn vaak al grote verschillen te zien: het ene kind durft alles, terwijl het andere erg voorzichtig is en zich snel zorgen maakt. Deze gevoeligheid blijkt, bijvoorbeeld door therapie, wel beïnvloedbaar.

Omstandigheden
Het ontstaan van een paniekstoornis kan ook te maken hebben met de omstandigheden waarin iemand verkeert. In tijden van veel stress of verandering blijken mensen gevoeliger voor het krijgen van angstklachten.

Hyperventilatie
Lange tijd is gedacht dat hyperventilatie een grote rol speelde bij paniekaanvallen. Hyperventilatie, oftewel ‘overademen’, leidt ertoe dat de balans van zuurstof en koolzuurgas in het lichaam verstoord raakt. Hierdoor ontstaan er klachten die erg beangstigend kunnen zijn, zoals benauwdheid, pijn op de borst of het gevoel flauw te vallen.

Mensen met paniekaanvallen zouden (soms ongemerkt) hyperventileren en vervolgens angstig worden van de lichamelijke verschijnselen die zij daardoor krijgen. Tegenwoordig zijn de meningen verdeeld of hyperventilatie werkelijk een grote rol speelt bij paniek.

Angst voor herhaling
Als er één paniekaanval geweest is, is er nog geen sprake van een paniekstoornis. Hier spreekt men pas van als er meerdere aanvallen zijn geweest. Na een eerste aanval hebben veel mensen angst voor het ontstaan van een volgende aanval.

Stel dat u voor het eerst een paniekaanval kreeg toen u in de rij stond bij de supermarkt, dan zult u waarschijnlijk de eerstvolgende keer dat u naar de supermarkt gaat al enigszins gespannen zijn. Als u eenmaal in de rij staat, neemt die spanning alleen maar toe. De angstige gedachten die kunnen ontstaan ('o jee, zo meteen gebeurt het weer') zijn vaak voldoende om de paniekreactie weer in werking te stellen. U gaat zich naar voelen, dit gevoel interpreteert u dan als bewijs voor uw angst ('zie je wel, daar heb je het weer') en zo komt u in een paniekcirkel terecht. Als dit een paar keer gebeurd is, is de kans groot dat u de supermarkt gaat vermijden.

Deze ‘angst voor de angst’ (ook wel anticipatieangst genoemd) speelt een belangrijke rol bij het in stand houden of zelfs verergeren van de paniekklachten. Door dingen die u eng vindt te vermijden, bereikt u op korte termijn dat u zich beter voelt. U heeft daarmee een paniekaanval weten te voorkomen, maar op de lange termijn blijkt dit vermijdingsgedrag de paniekstoornis te verergeren.

Vermijding van situaties kan leiden tot zogeheten pleinvrees, of agorafobie. Een paniekstoornis gaat dan ook vaak, maar niet altijd, gepaard met agorafobie.