Hoe ontstaat het?
Hooikoorts of pollenallergie is een apart onderdeel van de aandoening
allergische rhinitis. Hierbij heeft iemand klachten van de neus, die worden
veroorzaakt doordat microscopisch kleine deeltjes in de lucht abnormaal
prikkelend op het neusslijmvlies werken.
Die kleine deeltjes heten
allergenen, en omdat ze door adem te halen (= inhalatie) in contact komen met
het neusslijmvlies is de volledige naam inhalatieallergenen.
In het
geval van hooikoorts zijn deze inhalatieallergenen de pollen van bloeiende
bomen of grassen. Omdat deze bomen en grassen alleen in een bepaalde tijd van
het jaar bloeien, wordt hooikoorts seizoensgebonden allergische rhinitis
genoemd.
In het neusslijmvlies zitten zogenaamde mestcellen. Bij
allergische rhinitis gaan deze mestcellen kapot als ze in contact komen met een
binnenkomend allergeen. Hierbij komen diverse stoffen vrij die een grotere
doorgankelijkheid van de bloedvaten in de neus en prikkeling van de
zenuwuiteinden veroorzaken. Hierdoor ontstaat een grotere vochtuitscheiding,
jeuk en niezen.
Bij ongeveer de helft van de patiënten met
allergische rhinitis ontstaat er daarna nog een grotere gevoeligheid
(hyperreactiviteit) van het neusslijmvlies, waardoor steeds kleinere
hoeveelheden van het allergeen al een reactie kunnen uitlokken.
Andere inhalatieallergenen, zoals huisstofmijt en de huidschilfers van
huisdieren veroorzaken dezelfde klachten bij iemand die daar allergisch voor
is. Het onderscheid met hooikoorts is dat hooikoorts een seizoensgebonden
aandoening is.
In sommige families komt hooikoorts veel voor. Dit heeft
te maken met het feit dat de neiging om allergisch te reageren op allerlei
omgevingsfactoren (allergenen) erfelijk bepaald is.
Verder zijn
omgevingsfactoren in de eerste levensjaren van belang, waarbij aanwijzingen
zijn voor de invloed van infecties, sigarettenrook en mogelijk
luchtverontreiniging. Het voorkomen van allergische rhinitis in de
huisartspraktijk is tussen 1975 en 1995 verdubbeld.
De invloed van
omgevingsfactoren is uitgebreid onderzocht, maar is nog niet geheel duidelijk.
Er is bijvoorbeeld een onderzoek gedaan onder kinderen in voormalig Oost- en
West-Berlijn.
Door de val van de Berlijnse muur veranderden de
omstandigheden waarin de kinderen opgroeiden. Ondanks grotere mate van
luchtverontreiniging in Oost-Berlijn, kwam allergie hier aanvankelijk minder
vaak voor.
Na de val van de muur werden de huizen beter geïsoleerd (meer
huisstofmijt), en kwamen meer huisdieren. In de jaren na de val van de muur
bleek het voorkomen van allergische rhinitis onder de Oost-Duitse jeugd snel
toe te nemen. Mogelijk speelt het te weinig doormaken van infecties op jonge
leeftijd een rol.