Dit medicijn is alleen de eerste keer én bij wijziging van het insuline-preparaat recept-plichtig (voor maximaal 90 dagen). Daarna kan insuline in de eigen apotheek ook zonder recept worden verkregen.
1986
Gewone insuline van menselijke herkomst (= humaan insuline)
Insulinen
Injectievloeistof: patronen ('Penfill') 1,5 ml en 3 ml of flacon 10 ml: 100 IE humaan insuline per ml Bevat m-cresol als conserveermiddel.
Suikerziekte (= diabetes mellitus)
Lees ook de bijsluiter voor informatie over de toepassing van dit medicijn.
Bloedglucose-gehalte, verlaagd (= hypoglykemie)
Overgevoeligheid of allergie voor dit middel, voor een van de bestanddelen of voor vergelijkbare middelen
Breng ook een vervangende arts of een medisch specialist op de hoogte van eventuele andere ziekten of klachten die u heeft. Hiermee kunt u voorkómen dat u verkeerde medicijnen krijgt voorgeschreven.
Lees ook de patiëntenbijsluiter om te zien wanneer dit medicijn niet mag worden gebruikt.
Dit middel kan tijdens de zwangerschap volgens voorschrift worden gebruikt.
Dit middel kan tijdens de periode van borstvoeding volgens voorschrift worden gebruikt.
Sommige medicijnen kunnen een schadelijke invloed hebben op het verloop van de zwangerschap of op de nog ongeboren vrucht. Van veel medicijnen is dat echter nog niet precies bekend.
Heel wat medicijnen komen in de moedermelk terecht en bereiken zo de zuigeling. Gebruik daarom tijdens zwangerschap of borstvoeding alleen medicijnen op doktersrecept .
Vertel het ook een vervangende arts of een medisch specialist wanneer u van plan bent zwanger te worden, al zwanger bent of borstvoeding geeft. Hiermee kunt u voorkómen dat u medicijnen krijgt voorgeschreven, die niet mogen worden gebruikt tijdens de zwangerschap of borstvoeding.
Raadpleeg eerst uw arts wanneer u van plan bent tijdens zwangerschap of borstvoeding oude medicijnen , zelfzorgmedicijnen of alternatieve middelen te gebruiken.
Lees ook de patiëntenbijsluiter voor informatie over het gebruik van dit medicijn tijdens zwangerschap of borstvoeding.
Dit medicijn heeft voor zover bekend bij gebruik volgens voorschrift geen invloed op het reactie-, concentratie- en gezichtsvermogen.
Dit medicijn kan na een te hoge dosering en/of ten gevolge van te weinig voedsel-inname een 'hypo' . (= hypoglykemie) krijgen (o.a. zweten en duizeligheid). De 'hypo' kan in de regel betrekkelijk snel worden opgeheven door inname van wat suiker.
Lees ook de patiëntenbijsluiter om te zien of dit medicijn invloed heeft op het reactie-, concentratie- en gezichtsvermogen.
Insuline is een stofwisselingshormoon, dat normaal gesproken door de alvleesklier (= pancreas) wordt geproduceerd en afgegeven aan het lichaam.
Insuline bevordert de verbranding van 'suiker' (= glucose) door de opname van glucose in de lichaamscellen te versnellen. Als gevolg daarvan neemt de bloedglucosewaarde af. Daarnaast stimuleert insuline ook de vorming van lichaamsvetten en -eiwitten.
Lees ook de patiëntenbijsluiter voor informatie over de werking, de snelheid waarmee de werking aanvangt en de duur van de werking van dit middel.
Bloedsuikerwaarde, te lage (= hypoglykemie = 'hypo')
Ongevoeligheid voor insuline (= insuline-resistentie)
Overgevoeligheid, zelden voor insuline, maar meestal voor begeleidende stoffen zoals zink, protamine, conserveermiddelen, stabiliserende middelen en verontreinigingen.
Verdwijnen (= lipo-atrofie) of toenemen (= lipohypertrofie) van onderhuidsbindweefsel na herhaalde injectie van insuline op dezelfde plaats.
Vochtophoping onder de huid (= oedeem)
Er bestaat altijd een kans dat u last krijgt van bijwerkingen. Dat hoeft echter niet per se het geval te zijn.
Wanneer tijdens het gebruik van dit medicijn effecten optreden die u niet kent, verwacht of vreemd vindt, kan dat wijzen op: (1) een bijwerking , (2) een wisselwerking van dit medicijn met een ander medicijn, voedsel of drank, (3) overgevoeligheid voor dit medicijn of (4) een allergische reactie op dit medicijn.
Als een medicijn al wat langer op de markt is, worden er niet zelden nieuwe bijwerkingen ontdekt. Hierdoor neemt het aantal 'bekende' bijwerkingen van een medicijn soms met de jaren toe. Een al wat ouder medicijn met veel bijwerkingen is daarom niet per se onveiliger dan een nieuw medicijn waarvan nog maar weinig bijwerkingen bekend zijn.
Het is mogelijk dat u overgevoelig of allergisch bent (of wordt) voor een bepaald medicijn. Als u weet dat u overgevoelig of allergisch bent voor een bepaald medicijn, moet u dat medicijn niet gebruiken. Vergeet echter niet uw arts te vertellen voor welk(e) middel(en) u overgevoelig bent. Zo voorkomt u dat u dat medicijn nogmaals voorgeschreven krijgt.
Breng ook een vervangende arts of medisch specialist op de hoogte van overgevoeligheid of allergie voor bepaalde medicijnen.
Lees de patiëntenbijsluiter voor meer informatie over de mogelijke bijwerkingen van dit medicijn.
ACE-remmers
Alcohol (afname van de insulinebehoefte)
Androgene en anabole steroïdhormonen
Bèta-blokkers
Corticosteroïden
MAO-remmers
Oestrogene hormonen, waaronder de pil
Plasmiddelen, bepaalde (= thiazide-diuretica)
Progestagene hormonen
Salicylaten, zoals Aspirine® en Ascal®
Schildklierhormonen
Sympathicomimetica
Vertel ook een vervangende huisarts of medisch specialist welke medicijnen u gebruikt. Zo kunt u voorkómen dat u medicijnen krijgt voorgeschreven, die niet mogen worden gecombineerd met de medicijnen die u al gebruikt.
Lees ook de patiëntenbijsluiter voor informatie over mogelijke wisselwerkingen van dit medicijn met andere medicijnen of met voedsel.
Vraag uw arts of verpleegkundige een uitgebreid advies over het gebruik van insuline.
Vraag uw arts of verpleegkundige het meten van de bloedglucose-waarde en het spuiten van de insuline een aantal keren met u te oefenen .
Vraag uw arts of verpleegkundige opnieuw uitleg als u problemen heeft met het dieet, het meten van de bloedglucose-waarde en/of het vaststellen van de hoeveelheid insuline die u moet spuiten.
Vraag uw arts of verpleegkundige of ze regelmatig willen controleren of u de insuline goed gebruikt.
Lees ook de informatie over het gebruik van insuline in de patiëntenbijsluiter .
In de originele verpakking in de koelkast (niet in het vriesvak!)
Een aangebroken flacon kan 1 maand bij kamertemperatuur worden bewaard.
Wanneer de injectievloeistof bevroren is of is geweest, moet u deze niet meer gebruiken, maar nieuwe insuline halen in de apotheek.
De uiterste gebruiksdatum van dit medicijn staat vermeld op de verpakking.
Overtollige medicijnen niet bewaren, aan anderen geven of in vuilnisbak gooien. U kunt ze het beste terugbrengen naar de apotheek.
Lees ook de patiëntenbijsluiter voor informatie over de houdbaarheid en de wijze van bewaren van dit medicijn.
In de praktijk wordt maar liefst 50% van alle medicijnen niet, onvoldoende of verkeerd gebruikt! Het gebruik van medicijnen heeft echter alleen zin wanneer ze correct worden gebruikt, d.w.z. nauwkeurig volgens voorschrift van de arts.
Wanneer u geen of te weinig insuline gebruikt (= onderdosering) loopt u het risico dat het suikergehalte in het bloed (= bloedsuikerwaarde) te hoog wordt.
Wanneer u te veel insuline gebruikt (= overdosering), kan dat -vooral wanneer u weinig eet- leiden tot een te lage bloedsuikerwaarde (= hypoglykemie), met als mogelijk gevolg een 'hypo' (o.a. zweten, duizeligheid en bewusteloosheid).
Vraag uw arts om uitleg als u niet meer precies weet hoe u uw medicijnen moet gebruiken.
Combineer recept-medicijnen niet op eigen initiatief met oude medicijnen, die u heeft bewaard, of met zelfzorg-medicijnen. Dit kan namelijk leiden tot ongewenste wisselwerkingen (= interacties).
Vraag eerst advies aan uw arts of apotheker als u naast de medicijnen van de dokter nog andere medicijnen wilt gebruiken.
Voor een goed resultaat is het van groot belang dat u vertrouwen heeft in de medicijnen die u krijgt. Wanneer u denkt dat u het verkeerde medicijn heeft gekregen, bang bent voor bijwerkingen of denkt dat de medicijnen die u heeft gekregen niet helpen, kan dat uw vertrouwen in de medicijnen ernstig ondermijnen.
Bespreek eventuele problemen met betrekking tot uw medicijnen altijd met uw arts. Deze kunnen dan uw ongerustheid weg nemen of bekijken of u misschien andere medicijnen nodig heeft.
De behandeling van suiker- of glucoseziekte heeft als belangrijkste doel de bloedglucose-waarde te reguleren, d.w.z. binnen normale grenzen (= 4-8 mmol glucose per liter bloed) te houden.
U kunt uw bloedglucose-waarde zelf reguleren door u nauwkeurig te houden aan het voedingsadvies en één of meerdere keren per dag uw bloedsuikerwaarde te controleren.De hoogte van de gemeten bloedglucose-waarde bepaalt hoevéél insuline u moet spuiten.
Vraag uw arts om een uitvoerig advies over het gebruik van insuline. Vraag hem ook het meten van de bloedglucose-waarde en het spuiten van de insuline een aantal keren met u te oefenen.
Wanneer de bloedglucose-waarde te hoog is, krijgt u last van de typische verschijnselen van suikerziekte en verhoogt u de risico's op langere termijn.In de regel moet u dan minder koolhydraten (o.a. suiker, zetmeel) gebruiken en/of meer insuline spuiten.
Wanneer de bloedglucose-waarde te laag is, kunt u een 'hypo'(= hypoglykemie) krijgen (o.a. plotseling zweten en duizeligheid).In de regel moet u dan meer koolhydraten (o.a. suiker, zetmeel) gebruiken en/of minder insuline spuiten.
Houdt altijd suiker (bijv. suikerklontjes) en zetmeelrijk voedsel (bijv. koek, brood) bij de hand om een 'hypo' te voorkómen of een beginnende 'hypo' te onderdrukken.
Bespreek regelmatig uw ervaringen en eventuele problemen /i
Vraag uw arts opnieuw om uitleg /i
Dit medicijn wordt vergoed volgens de daarvoor geldende regels van de overheid en uw zorgverzekeraar .
Vraag uw arts, apotheker of zorgverzekeraar zo nodig om meer informatie over de vergoeding van uw medicijnen.
Bijsluiter van Actrapid®
U kunt uw arts of apotheker zo nodig om meer informatie vragen over suikerziekte (= diabetes mellitus) en de behandeling daarvan.
De injectievloeistof bevat m-cresol als conserveermiddel.
Concentratieverlies, duizeligheid, honger, verwardheid, zweten, zwakte ten gevolge van een te sterk verlaagd bloedglucose-gehalte (= hypoglykemie). Dit wordt vaak een hypo genoemd. NB. Deze verschijnselen kunnen meestal betrekkelijk snel worden opgeheven door inname van suiker of een suiker-houdende drank.
Bovenstaande verschijnselen kunnen ook optreden na grote inspanning, grote opwinding en/of te geringe voedselinname.
Ernstiger verschijnselen zijn vermindering (= stupor) en verlies van de geestelijke functies. In dat geval moet onmiddellijk de hulp van een arts of verpleegkundige worden ingeroepen.
Blijf kalm, stop het gebruik en bel zo snel mogelijk uw (huis)arts of het dichtst bijzijnde ziekenhuis wanneer sprake is van overdosering of wanneer overdosering wordt vermoed.
Hou de bijsluiter of verpakking van het betreffende medicijn bij de hand als u belt of naar een (huis)arts, poli of ziekenhuis gaat.
Lees ook de bijsluiter in de verpakking over de mogelijke verschijnselen en de wijze van handelen bij overdosering.