We spreken van bedplassen wanneer een kind van zes jaar of ouder, vaker dan tweemaal per maand in bed plast. Bedplassen komt erg vaak voor. Op vijfjarige leeftijd plast nog één op de zes kinderen in bed. Tot en met het vijfde levensjaar is bedplassen niet afwijkend. Jongens hebben er bijna tweemaal zo vaak last van als meisjes. Op volwassen leeftijd komt bedplassen vrijwel niet meer voor.
Bij een kind is sprake van bedplassen, als hij ’s nachts nog regelmatig nat is en dus in bed heeft geplast. Het bedplassen kan ervoor zorgen dat een kind minder zelfvertrouwen heeft. Hierdoor kan hij zich nerveus en/of lastig gaan gedragen. Het gebeurt ook niet zelden dat hierdoor conflicten binnen het gezin ontstaan. Het negatieve gedrag van het kind wordt soms versterkt, als de omgeving negatief reageert op het bedplassen. Bijvoorbeeld als het kind wordt gepest door zijn klasgenootjes of vriendjes, of als ouders het bedplassen openlijk afkeuren.
Wanneer een kind slechts een aantal urinevlekjes in het ondergoed heeft, wordt dit niet bedplassen genoemd, maar incontinentie.
Halverwege het tweede jaar is een kind in staat om het signaal van een volle blaas te herkennen. Hij kan nu ook de plas ophouden en het plassen uitstellen, tot hij op het potje of het toilet zit. Meestal leert een kind om eerst overdag zindelijk te zijn. Pas daarna leert hij om ‘s nachts droog te blijven.
De meeste kinderen zijn in hun derde levensjaar zowel overdag, als ‘s nachts zindelijk. Dit verschilt echter wel van kind tot kind: het ene kind is vroeg, het andere laat. Bedplassen tot en met het vijfde levensjaar is niet afwijkend.
Wanneer een kind na zijn vijfde jaar nog steeds in bed plast, is er meestal geen duidelijke oorzaak voor het bedplassen aan te geven. De volgende factoren kunnen hierbij wel een rol spelen:
Sommige mensen denken dat ‘een te kleine blaas’, ‘te vast slapen’ of een ‘te druk kind’ het bedplassen kan verklaren. Deze oorzaken zijn echter nooit bewezen. Sommige ouders denken ook wel eens dat kinderen in bed plassen om hen dwars te zitten. Dit is echter onwaar: een kind schaamt zich vrijwel altijd voor het bedplassen. Het is belangrijk dat mensen weten dat bedplassen geen aandachttrekkerij is.
Bedplassen is heel vervelend voor zowel het kind, als voor de ouders. Bedplassen wijst niet in de richting van een afwijking van de blaas of nieren. Het gaat vrijwel altijd vanzelf over. Van alle bedplassende kinderen van 6 tot 10 jaar komt jaarlijks 15 procent er vanaf zonder behandeling.
Wanneer een kind van zes jaar of ouder in bed plast én ook overdag niet zindelijk is, is het verstandig dat u uw huisarts raadpleegt.
Contact met de huisarts is ook raadzaam als het bedplassen samengaat met één of meer van de volgende symptomen:
Als u er met de onderstaande adviezen zelf niet uitkomt, of wanneer uw kind andere klachten heeft waarover u zich zorgen maakt, kunt u altijd contact opnemen met uw huisarts. De huisarts kan het in sommige gevallen nuttig vinden om medicijnen voor te schrijven die zorgen dat er minder urine aangemaakt wordt.
Met behulp van de volgende adviezen kunt u uw kind helpen om zindelijk te worden.
Duidelijkheid geven
Vertel uw kind duidelijk dat het de bedoeling is om zijn bed droog te houden. Sommige ouders denken al snel dat hun kind dit wel weet. Vaak blijkt dat helemaal niet zo duidelijk te zijn voor het kind. Duidelijkheid geven betekent ook dat u het beste consequent kunt zijn. Als u eenmaal bent gestart met een bepaalde aanpak, is het van belang dat u dit volhoudt.
Positieve aandacht schenken
Het is belangrijk om het gewenste gedrag van uw kind stimuleren. Droog worden is tenslotte een prestatie en verdient een beloning. De kalendermethode (die zometeen beschreven wordt) is hiervoor uitermate geschikt. Wanneer uw kind toch eens in bed plast, is dit niet erg. Daarom is het beter om uw kind niet te bestraffen. Probeert u wel te voorkomen dat hij zich beloond voelt als het in zijn bed heeft geplast. Het beste kunt u zeggen dat het niet erg is, maar dat het jammer is dat het nog niet is gelukt.
Verantwoordelijkheid geven
Het gaat erom dat het kind droog wordt, niet de ouders. Het is belangrijk dat het kind zelf zoveel mogelijk verantwoordelijkheid voor de gevolgen van het bedplassen draagt. Dat houdt in, afhankelijk van zijn leeftijd, dat het kind zelf een schone pyjama pakt, zelf het bed verschoont en/of zelf het vuile wasgoed afhaalt.
Drinkpatroon aanpassen
Geen luier omdoen
Een kind dat zes jaar of ouder is, kan beter geen luiers meer dragen. Het kind met een luier zal het bedplassen dan als iets vanzelfsprekends ervaren. Hij kan zich juist beter bewust worden van het plassen.
Obstipatie voorkomen
Het is verstandig om met uw kind af te spreken dat het regelmatig naar het toilet gaat om te poepen. Verstopping kan er namelijk toe bijdragen dat kinderen ‘s nachts in bed plassen. U leest meer over dit onderwerp in de informatiefolder 'Obstipatie/verstopping bij kinderen'.
Er bestaan verschillende methodes die uw kind kunnen helpen om ‘s nachts droog te blijven. Het is raadzaam om een van onderstaande methodes te kiezen en deze consequent uit te voeren.
Lukt het niet om met deze maatregelen het bedplassen op te lossen, dan zijn er nog andere manieren om droog te worden. Indien gewenst kan uw huisarts u hiermee verder helpen.
Opneemmethode: vanaf 6 jaar
Verhaaltjesmethode: 6-11 jaar
Met onderstaand verhaal werd ervaring opgedaan bij bedplassende kinderen.
Babyvogel woonde met zijn ouders in een nestje, hoog in een boom. Op een dag, toen vader- en moedervogel weg waren om eten te zoeken, was Babyvogel zo wild aan het spelen, dat hij uit het nest viel. Hij viel van de top van de boom helemaal naar beneden, op de grond en huilde toen heel hard van de pijn. Toen hij op de grond lag aan de voet van de boom en huilde en snikte, kwam er een klein jongetje (of meisje) voorbij, die hem daar zag liggen. Het jongetje (of meisje) pakte Babyvogel op, keek naar boven en zag daar het nest en zette Babyvogel weer terug in het nest. De vader- en moedervogel vonden Babyvogel nog steeds huilend en snikkend, toen ze terugkwamen van het eten zoeken. Maar ze dachten dat hij honger had en stopten wat wormen in zijn snavel.
Babyvogel werd groter en groter, en op een dag was het tijd geworden om te leren vliegen. Moeder- en vadervogel lieten hem zien hoe hij moest vliegen, en gingen van tak tot tak. Toen zeiden ze dat Babyvogel het zelf moest proberen. Maar Babyvogel riep:” NEE!” De ouders probeerden het een andere dag nog eens en een andere dag nog eens, maar steeds zei Babyvogel bleef roepen: “NEE!” Toen gaven ze het maar op en zeiden: ‘’Oké, blijf jij maar in het nest zitten, dan zullen wij je wel elke dag eten komen brengen”. En zo ging het de hele zomer door. Babyvogel bleef op het nest zitten en zijn vader en moeder brachten hem eten.
Babyvogel werd van al dat eten wel steeds dikker en dikker. Na de zomer werd het herfst en werd het steeds kouder. Alle vogels maakten zich klaar om naar het zuiden te vliegen. Want wanneer het winter wordt en gaat sneeuwen, vliegen de vogels naar het zuiden, waar het lekker warm is. De vader en moeder van Babyvogel zeiden hem dat hij nu toch echt moest leren vliegen, omdat je alleen in het zuiden komt door te vliegen. En als hij niet naar het zuiden zou vliegen, zou hij doodgaan van de kou of omkomen van de honger, omdat niemand hem eten zou brengen. Maar Babyvogel zei steeds:”NEE!”. Hij wou niet leren vliegen.
Het werd kouder en kouder en kouder. En Babyvogel wilde nog steeds maar niet leren vliegen. Toen zeiden zijn vader en moeder: “Als je niet wilt leren vliegen, gaan wij zonder jou naar het zuiden, want wij willen niet doodvriezen of sterven omdat er geen eten meer is”. Babyvogel geloofde dat niet en zo vlogen zijn vader en moeder tenslotte zonder hem weg naar het zuiden. Een hele tijd dacht Babyvogel dat ze gewoon weg waren gevlogen om eten te halen. Maar toen ze na twee dagen nog niet terug waren gekomen, wist hij zeker dat ze hem de waarheid hadden verteld.
En het werd nog steeds kouder en kouder. Babyvogel begon te dansen en te springen en met zijn vleugels te wapperen in zijn nest, om toch maar een beetje warm te blijven. Maar hij was zo verschrikkelijk groot geworden, dat het nest begon te kraken…. en brak! Babyvogel viel pardoes door de bodem van het nest naar beneden. En toen hij viel en viel en viel, spreidde hij zijn vleugels uit en fladderde er een paar keer mee op en neer… en zo leerde hij eindelijk……… VLIEGEN!
Nu babyvogel kon vliegen, vloog hij naar het zuiden met de laatste groep vogels, om zijn vader en moeder te gaa n zoeken. En h ij vond z e! Zijn vader en moeder waren dolgelukkig om Babyvogel weer voor altijd bij zich te hebben.
Kalendermethode 6-8 jaar
Motivatiemethode: van 6 tot 12 jaar
Voorbeeld beloningen (motivators) :
Blaastraining: van 6 tot 13 jaar
Wektraining: vanaf 6 jaar
Indien uw kind oud genoeg en gemotiveerd is kunt u de wektraining toepassen. Hiervoor is een plaswekker nodig. Na de installatie van de plaswekker geeft u de volgende instructie aan uw kind.
Deze plaswekker gaat jou helpen om droog te worden. Als je 's nachts per ongeluk in bed plast geeft deze wekker je een seintje. Je ziet wel dat de wekker verbonden is met dit broekje. Als er nu wat urine op het broekje komt, geeft hij dat door aan de wekker, die jou waarschuwt dat je moet stoppen met plassen. Dus als je ligt te slapen en je hoort de wekker rinkelen dan weet je dat je plast. Als dat gebeurt moet je allereerst de wekker afzetten, het broekje uitdoen en op de w.c. verder gaan plassen. Dan ga je terug naar bed, trek je een droog broekje aan, zet je de wekker weer aan en ga je verder slapen. Zonodig kan ik (moeder of vader) even het bed verschonen. Als je dat zo doet krijg je direct een sticker. Als ik niet wakker geworden ben, mag je me even wakker maken zodat ik de sticker kan geven. Heeft de wekker 's nachts niet een keer gerinkeld, dan ben je er uit geweest of heb je de plas opgehouden. Je krijgt dan 's ochtends direct twee stickers. Maar als de wekker rinkelt en je gaat er niet binnen drie minuten uit om op de wc verder te plassen, dan moet je direct een sticker teruggeven. Dus als ik na drie minuten de wekker moet uitzetten kost je dat een sticker.
Drs. P.A. van Dijk (auteur)
Dr. J.A.M. Widdershoven (consulent)
Drs. A.A.H.H. Liedtke - van Eijck (consulent)