Anticonceptie spiraaltje

Wat is anticonceptie spiraaltje?

Spiraaltjes zijn voorbehoedsmiddelen die in de baarmoeder worden geplaatst. Deze vorm van bescherming tegen zwangerschap wordt ook wel intra-uteriene anticonceptie genoemd.

Er zijn drie verschillende vormen van intra-uteriene anticonceptie: het koperspiraaltje, het koperimplantaat en het hormoonspiraaltje.

De koperspiraaltjes bestaan uit een plastic frame met een stammetje waar een koperdraad omheen gewikkeld zit en rechte of gebogen zijarmpjes om het spiraaltje in de baarmoeder te houden. Bij een aantal koperspiraaltjes zijn bovendien op de horizontale armpjes koperhulsjes aangebracht.

Het koperimplantaat Gynefix® bestaat uit 4 of 6 koperhulsjes, die op een plastic draad zijn geklemd. Het koperimplantaat wordt in de baarmoeder vastgezet.

Het hormoonspiraaltje Mirena® bestaat net als de koperspiraaltjes uit een plastic frame. In plaats van de koperdraad is een hulsje met het progestageen hormoon levonorgestrel aangebracht op het stammetje.



Hoe werkt anticonceptie spiraaltje?

Door het koperspiraaltje en het koperimplantaat worden continu kleine hoeveelheden koper in de baarmoeder afgegeven. Het koper tast de zaadcellen aan waardoor deze niet meer in staat zijn een eicel binnen te dringen. Ook vinden veranderingen in het baarmoederslijmvlies plaats die er voor zorgen dat een eventuele bevruchte eicel zich niet kan innestelen. Dit laatste speelt een ondergeschikte rol. Met de huidige technieken is bevruchting bij aanwezigheid en correcte positie van het spiraaltje nooit aangetoond.

Het hormoonspiraaltje geeft continu een kleine hoeveelheid van de progestagene stof levonorgestrel af, waardoor de baarmoederhals niet meer doorgankelijk is voor zaadcellen.

Als het koperspiraaltje, het koperimplantaat of het hormoonspiraaltje gedurende de eerste dagen van de menstruatie zijn ingebracht dan is er meteen al voldoende bescherming tegen zwangerschap. Wordt het later in de cyclus ingebracht dan is aanvullende anticonceptie gedurende een periode van 7 dagen noodzakelijk.



Hoe gebruikt u het anticonceptie spiraaltje?

Koperspiraaltje, koperimplantaat en hormoonspiraaltje dienen ingebracht te worden door een arts, die getraind is in de techniek van het inbrengen van het gekozen middel. Dat kan uw huisarts zijn of een huisarts in de buurt. Soms is verwijzing nodig naar een gynaecoloog. Zelf hoeft u verder niets te doen. Sommigen adviseren zelfcontrole door te voelen of de draadjes nog in de vagina aanwezig zijn. Nodig is dit niet. Het risico dat het spiraaltje dan niet goed komt te zitten is dan aanwezig als per ongeluk aan de draadjes wordt getrokken.

Alle spiraaltjes zijn geregistreerd voor een werkingsperiode van 5 jaar. Vooral de koperspiraaltjes kunnen echter wel tot tien jaar bescherming bieden tegen zwangerschap.



Hoe betrouwbaar is het anticonceptie spiraaltje?

Spiraaltjes zijn zeer betrouwbare vormen van anticonceptie. Van alle vrouwen die een koperspiraaltje ingebracht krijgen zal er in het eerste gebruiksjaar hooguit één per honderd zwanger worden. Hoe langer het spiraaltje zit des te minder zwangerschappen er ontstaan. Bij het hormoonspiraaltje is de kans om zwanger te worden kleiner dan één op de duizend. Het hormoonspiraaltje is zelfs betrouwbaarder dan sterilisatie.



Zijn er bijwerkingen bij het anticonceptie spiraaltje?

Bij de aanwezigheid van een koperspiraaltje of koperimplantaat duurt de menstruatie 1 tot 2 dagen langer en is er iets meer bloedverlies dan zonder spiraaltje. Soms kan de menstruatie ook iets pijnlijker zijn.

Bij een hormoonspiraaltje zijn er de eerste 3 maanden vaak wat langdurige en onregelmatige bloedingen, meestal in de vorm van “spotting” (steeds kleine beetjes bloedverlies of bruinige afscheiding). Na deze drie maanden worden de onregelmatige bloedingen steeds minder en soms verdwijnen de bloedingen helemaal. Na 1 jaar krijgt 20% van de gebruiksters geen bloeding meer en na 5 jaar is dat de helft. Het wegblijven van de bloedingen heeft geen invloed op de betrouwbaarheid.

Na het verwijderen van het spiraaltje keert de vruchtbaarheid weer direct terug.



Wanneer naar de huisarts?

Als gekozen wordt voor een spiraaltje dan is een bezoek aan de huisarts nodig om na te gaan of er medische redenen aanwezig zijn, die het gebruik van het gekozen spiraaltje minder wenselijk maken. Tevens vindt dan een inwendig onderzoek plaats om de grootte van de baarmoeder te bepalen en na te gaan of er een infectie aanwezig is, die eerst behandeld moet worden. Zijn er geen bezwaren dan zal een recept voor het gekozen spiraaltje worden uitgeschreven.

Een tweede bezoek aan de huisarts is nodig om het spiraaltje in te brengen. Als de huisarts onvoldoende ervaring heeft met het inbrengen van het gekozen spiraaltje of implantaat dan zal verwijzing volgen naar een andere huisarts of naar een gynaecoloog die de techniek wel kent.

Een bezoek aan de huisarts is ook nodig:

  • als u overtijd bent om zwangerschap uit te sluiten (niet bij het hormoonspiraaltje)
  • bij heftige en/of pijnlijke (tussentijdse) bloedingen
  • bij plotseling optredende onderbuikspijn
  • bij hinderlijke vaginale afscheiding
  • voor het verwijderen en/of vervangen van het spiraaltje na 5 jaar of bij kinderwens



Is het anticonceptie spiraaltje voor u geschikt?

Het spiraaltje is geschikt voor vrouwen die een langdurige en eenvoudige manier van anticonceptie wensen. Eenmaal ingebracht hoeft 5 jaar lang niet meer aan anticonceptie worden gedacht. Vrouwen die last hebben van hevige menstruaties kunnen beter geen koperspiraaltje nemen, omdat de klachten dan meestal verergeren. Een hormoonspiraaltje is voor hen meer geschikt.

Het hormoonspiraaltje kan ook worden ingebracht ter behandeling van heftige menstruaties, ook als anticonceptie niet meer nodig zoals na een sterilisatie van man of vrouw. Ook vrouwen die nog geen kinderen hebben kunnen kiezen voor een spiraaltje. Zes weken na een bevalling kan een spiraaltje worden ingebracht, ook als borstvoeding wordt gegeven.


Een spiraaltje mag niet worden ingebracht bij vrouwen die:

  • zwanger zijn
  • een infectie hebben van de baarmoeder, eileiders of eierstokken
  • afwijkende afscheiding hebben die eerst nog behandeld moet worden
  • abnormaal bloedverlies hebben zonder dat de oorzaak ervan bekend is
  • eerder een spiraaltje geheel of gedeeltelijk hebben uitgestoten (het koperimplantaat Gynefix® is dan wel geschikt)
  • zwanger zijn geweest terwijl ze een spiraaltje hadden
  • een operatieve ingreep aan de baarmoederhals hebben gehad ter behandeling van een voorstadium van baarmoederhalskanker
  • onderbuiksklachten hebben zonder dat de oorzaak hiervan bekend is


Een koperspiraaltje is ook minder geschikt voor vrouwen met:

  • heftige en/of pijnlijke menstruaties (hormoonspiraaltje is dan juist wel geschikt)
  • een bloedarmoede (hormoonspiraaltje is dan juist wel geschikt)
  • aangeboren afwijkingen aan de baarmoeder of baarmoedermond, waarbij de vorm van de baarmoeder afwijkend is
  • een of meerdere vleesbomen in het baarmoederlichaam of in de baarmoederwand
  • een afwijkend uitstrijkje

Er zijn nog een aantal bijkomende redenen om geen hormoonspiraaltje te gebruiken. Kijk hiervoor in de folder hormonen: alleen progestagenen.



Algemene adviezen en voorzorgsmaatregelen

Spiraaltjes beschermen alleen tegen zwangerschap, niet tegen seksueel overdraagbare aandoeningen (geslachtsziektes). Om beschermd te zijn tegen seksueel overdraagbare aandoeningen is het gebruik van een condoom of vrouwencondoom noodzakelijk. Meer hierover is te lezen in de folder barrièremiddelen. Alleen in een stabiele seksuele relatie is extra bescherming niet nodig. Geadviseerd wordt om bij een nieuwe relatie extra bescherming te gebruiken en na 3 maanden beide partners te testen op de meest voorkomende seksueel overdraagbare aandoeningen als chlamydia en HIV.

Testen kan via de huisarts, maar ook indien gewenst anoniem via een instelling van de GGD. Adressen van alle GGD’s in Nederland zijn te vinden op www.ggd.nl



Meer informatie over het anticonceptie spiraaltje

  • Soa Aids Nederland
  • Artsennet
  • NVOG
  • World Health Organisation



In samenwerking met

Dr. R.J.C.M. Beerthuizen (auteur)
Drs. S. Verlinden (consulent)