In Nederland heeft een zwangere vrouw in principe zelf de keuze of ze thuis of in het ziekenhuis bevalt. Veel vrouwen vinden het prettig om in hun eigen vertrouwde omgeving te bevallen. Andere vrouwen vinden het juist een geruststellend idee om hun kind in het ziekenhuis ter wereld te brengen, voor het geval er toch iets mis gaat.
Bevallingen in het ziekenhuis worden onderscheiden in poliklinische en klinische bevallingen.
Poliklinische bevalling
Als u er zelf voor kiest om in het ziekenhuis te bevallen, dus zonder medische indicatie, spreken we van een poliklinische bevalling. Uw eigen verloskundige begeleidt de bevalling, samen met een kraamverpleegkundige of een kraamverzorgende van het ziekenhuis.
Klinische bevalling
In sommige gevallen is het om medische redenen noodzakelijk dat u in het ziekenhuis bevalt. We spreken dan van een klinische bevalling. De gynaecoloog of verloskundige van het ziekenhuis begeleidt de bevalling. Een kraamverpleegkundige of kraamverzorgende assisteren.
Redenen om in het ziekenhuis te bevallen zijn bijvoorbeeld:
Meer informatie over indicaties voor een klinische bevalling kunt u lezen in de informatiefolder 'Thuis of in het ziekenhuis bevallen?’.
Wanneer gaat u naar het ziekenhuis?
Als u al weet dat u in het ziekenhuis gaat bevallen, is het raadzaam om in de volgende situaties de verloskundige, de huisarts of de gynaecoloog te bellen:
De verloskundige of de huisarts komt bij u thuis en bekijkt of u al opgenomen kunt worden.
Als u voor het eerst gaat bevallen, gaat u naar het ziekenhuis als er ongeveer zes centimeter ontsluiting is.
Als u al eerder een bevalling heeft doorgemaakt, gaat u bij vier tot vijf centimeter naar het ziekenhuis.
Meer hierover kunt u lezen in de informatiefolder 'Eerste tekenen van bevallen’.
Hoe gaat u naar het ziekenhuis?
Vaak kunt u met eigen vervoer naar het ziekenhuis. Zorg er dan wel voor dat iemand u begeleidt, die kan rijden. Als dit niet mogelijk is, kunt u het beste een taxi nemen.
Wat neemt u mee naar het ziekenhuis?
Het is handig als u ruim van tevoren al een tas heeft klaarstaan, met spullen die u meeneemt naar het ziekenhuis. Dokterdokter.nl heeft hiervoor een lijstje opgesteld.
Kleding voor uzelf:
Toiletspullen:
Kleding voor de baby:
Overigen:
Eventueel:
Ontvangst in het ziekenhuis
Bij aankomst in het ziekenhuis wordt u ontvangen door een verpleegkundige van de verloskamers. De verloskamers bevinden zich meestal op dezelfde afdeling als de kraamafdeling, maar deze zijn er wel van gescheiden. Meestal zijn er twee verpleegkundige teams: één team verpleegkundigen dat op de kraamafdeling werkt en één team dat op de verloskamers werkt.
Als het nog mogelijk is, biedt de verpleegkundige u eerst wat te drinken aan. Hij geeft u ook uitleg over de apparatuur in de verloskamer en voert een opnamegesprek. Vragen die hierin aan bod komen, zijn onder meer:
Als de bevalling al in volle gang is als u in het ziekenhuis aankomt, dan wordt dit opnamegesprek natuurlijk overgeslagen.
Naar de verloskamer
Na het opnamegesprek wordt u naar de verloskamer gebracht. Veel ziekenhuizen bieden de mogelijkheid om voor de bevalling de verloskamers te bekijken, zodat u een beeld heeft van de omgeving waarin u gaat bevallen.
In een verloskamer zijn de volgende zaken aanwezig:
Daarnaast beschikken verloskamers over een telefoon (mobiele telefoons zijn in ziekenhuizen meestal niet toegestaan).
Met wie krijgt u te maken?
Zowel bij een poliklinische als een klinische bevalling, vindt de bevalling plaats in de verloskamer.
U kunt in het ziekenhuis de volgende personen tegen komen:
Naast het medisch personeel kunnen natuurlijk uw partner en andere naasten bij de bevalling aanwezig zijn.
Weeënregistratie en CTG
Een cardiotocograaf (CTG), ook wel CTG-apparaat genoemd, registreert de weeën van de moeder en de hartslag van het (ongeboren) kind. Deze worden in een grafiek weergegeven, waardoor ook de relatie tussen de weeënactiviteiten en de hartslag van het kind inzichtelijk wordt.
Vaak gaat tijdens een perswee de hartslag van het kind wat omlaag, door druk op het hoofd van de baby. Normaal is de hartslagfrequentie van het kind rond de 110 tot 150 slagen per minuut. Afhankelijk van de reden waarom u in het ziekenhuis bevalt, wordt u tijdens de bevalling in het ziekenhuis een tijdje (meestal ongeveer half uur) aangesloten op een CTG-apparaat, om te bekijken of alles goed verloopt.
Dit gebeurt volgens de uitwendige methode: er worden twee banden om de buik van de zwangere vrouw gelegd. Eén band meet de hartslag van de baby; de andere meet de weeënactiviteit van de zwangere vrouw. Zo wordt ook duidelijk hoe de weeën de hartslag beïnvloeden.
Het kan ook zijn dat de baby continu wordt geregistreeerd. Dit kan via de inwendige methode. Deze kan alleen worden gebruikt als de vliezen al gebroken zijn. De hartslag van de baby wordt gemeten met een elektrode, die via de vagina op het hoofd van de baby wordt vastgemaakt. Door een slangetje (katheter) in de baarmoederholte in te brengen, wordt de kracht van de weeën
Verpleegkundige zorg tijdens de bevalling
Een belangrijke taak van de verpleegkundige is observatie: het goed in de gaten houden van wat zich afspeelt. Hij observeert de toestand van u tijdens de bevalling, ook bijvoorbeeld de toestand van het vruchtwater. Daarnaast zorgt de verpleegkundige voor begrip, steun, motivatie en geruststelling voor u en uw partner. Uiteraard zijn er ook medische handelingen die verricht moeten worden.
Hieronder gaan we in op de verpleegkundige zorg tijdens de bevalling in de volgende fasen:
De ontsluitingsperiode
Tijdens de ontsluitingsperiode zorgen de ontsluitingsweeën ervoor dat de baarmoedermond geopend wordt. Bij tien centimeter ontsluiting vormen de baarmoeder en de vagina één geheel, het zogenaamde geboortekanaal. Dit is zo wijd dat de baby erdoor kan. De baby kan nu geboren worden. De verloskundige of gynaecoloog voelt tijdens de ontsluitingsperiode regelmatig hoeveel centimeter ontsluiting er is. Dit gebeurt met twee vingers en wordt vaginaal toucheren genoemd.
De verpleegkundige zorg tijdens de ontsluitingsperiode wordt in belangrijke mate bepaald door de behoeften van de barende vrouw. Voorbeelden van verpleegkundige zorg in deze fase zijn:
De uitdrijvingsperiode
Tijdens de uitdrijvingsperiode zorgen de persweeën ervoor, dat de baby naar buiten wordt gedreven. Dit duurt bij een eerste bevalling gemiddeld een uur. Bij een tweede of volgende bevalling duurt het gemiddeld een half uur. Ook in de uitdrijvingsperiode is de verpleegkundige zorg voor een belangrijk deel afhankelijk van het verloop van de bevalling en de behoeften van de barende vrouw. Verpleegkundige zorg tijdens de uitdrijving is onder andere:
Het nageboortetijdperk
Met het nageboortetijdperk bedoelen we de fase na de geboorte van het kind. De placenta (moederkoek) komt los van de baarmoederwand en het kind wordt geboren. De geboorte van de placenta is een belangrijk onderdeel van de bevalling en dus niet iets dat er ‘nog even nakomt’. Het is belangrijk dat de placenta in zijn geheel wordt geboren, omdat er anders stolsels achter kunnen blijven. De duur van het nageboortetijdperk varieert van enkele minuten tot een half uur.
De verpleegkundige assisteert de verloskundige of arts tijdens het nageboortetijdperk, onder andere door een speciale po aan te geven waarin de placenta wordt opgevangen. Als de vrouw tijdens de bevalling is ingescheurd, legt de verpleegkundige de benodigdheden voor het hechten klaar.
Verpleegkundige zorg na de bevalling
In de eerste fase na de bevalling gebeurt er van alles met moeder en kind. De verpleegkundige zorg na de bevalling bestaat uit:
Zorg voor de baby
De zorg voor de baby bestaat uit:
Uitzuigen van de luchtwegen
Soms is het nodig dat de luchtwegen van uw baby direct na de geboorte worden uitgezogen met een slangetje en een zuigertje. Dit is om te voorkomen dat uw kind slijm in de longen krijgt, waardoor het ademhalen wordt bemoeilijkt. Vaak wordt alleen het neusje afgeveegd tijdens de geboorte.
Bepalen van de Apgar-score
De Apgar-score geeft weer hoe uw kind de periode rond de bevalling heeft doorstaan. Het is een cijfer tussen nul en tien.
De Apgar-score wordt een aantal keer na de geboorte bepaald, meestal na één, vijf en tien minuten. De score bij vijf en tien minuten na de geboorte is belangrijker dan de score na één minuut. Meer hierover kunt u lezen in de informatiefolder 'Apgar-score’.
Afnavelen
Na de geboorte wordt de navelstreng doorgeknipt. De verloskundige of arts strijkt een stukje van de navelstreng vanaf de buik van de baby richting de moederkoek leeg. Hierna plaatst hij er twee klemmetjes (kochers) op, waarna de navelstreng wordt doorgeknipt. Dit wordt, op aanwijzing van de arts of verloskundige, vaak door de partner gedaan. Bij de baby blijft een navelstompje over, dat zo’n vier tot zes centimeter lang is. Dit stompje wordt met een navelstrengklemmetje dicht geklemd. Het navelstompje droogt de komende week in, steeds donkerder van kleur worden en uiteindelijk samen met het klemmetje afvallen. Het litteken dat hierna ontstaat, wordt de navel.
Overige controles
Andere controles die de arts of verloskundige doet:
De arts of verloskundige controleert de volgende reflexen:
Zorg voor de kraamvrouw
Als de bevalling helemaal achter de rug is (dus ook de geboorte van de moederkoek), zal de verpleegkundige ervoor zorgen dat de kersverse moeder, vader en baby voldoende rust krijgen om al wat aan elkaar te wennen. De eerste uren na de geboorte zijn erg belangrijk voor de binding van moeder en kind. De baby heeft al sterk ontwikkelde zintuigfuncties en is het eerste uur na de geboorte heel wakker. Het zoekt contact door te huilen en te bewegen. Ook is er oogcontact. De baby kan meteen aan de borst worden gelegd en zal meteen gaan zuigen; de zuigreflex is nu namelijk heel sterk. De verpleegkundige kan u helpen bij de eerste keer aanleggen. Daarnaast is observatie erg belangrijk. Hierbij gaat het in eerste instantie om de algemene i ndruk van de moeder. Is ze aanspreekbaar? Is ze erg vermoeid?
De verpleegkundige controleert de volgende zaken:
Naast observatie, neemt de verpleegkundige ook de lichamelijke verzorging van de moeder op zich. Hierbij gaat het vooral om het wassen van het lichaam, met name de borsten en het onderlichaam. Hierna gaat de vrouw naar de kraamafdeling of, na de meeste poliklinische bevallingen, meteen naar huis. Er vindt hierbij mondelinge en schriftelijke overdracht plaats over het verloop van de bevalling en de toestand van moeder en kind, met de eigen verloskundige en de huisarts.
Na een poliklinische bevalling kunt u meestal na enkele uren alweer naar huis. Soms is het nodig dat u nog een tijdje op de kraamafdeling blijft. Na een klinische bevalling brengt u waarschijnlijk ook enige tijd door op de kraamafdeling.
Op de kraamafdeling ligt u meestal met een of enkele andere kraamvrouwen op een kamer. Uw baby staat overdag in principe naast uw bed in een rijdbare wieg. ’s Nachts worden de wiegjes in de meeste ziekenhuizen naar de babykamer gebracht. Dit is om de nachtrust van alle moeders te bevorderen.
Wat betreft het ontvangen van bezoek geldt, dat uw partner doorlopend op de afdeling mag komen, uitgezonderd een periode vroeg in de middag waarop moeder en kind rusten. Voor het overige bezoek gelden bezoekuren (meestal ’s middags en ’s avonds).
Verpleegkundige zorg voor de moeder
Naast de ‘normale’ lichamelijke verzorging van de moeder, die door de kraamverzorgende of kraamverpleegkundige wordt uitgevoerd, is er speciale aandacht voor de volgende aspecten:
Verpleegkundige zorg voor de baby
Ook voor de baby geldt dat observatie belangrijk is. Naast de lichamelijke verzorging van de baby wordt er speciaal gelet op:
Als u bent opgenomen op de kraamafdeling beslist de gynaecoloog wanneer u weer naar huis mag gaan. De verpleegkundige maakt een overdracht voor de kraamverzorgende waarin eventuele bijzonderheden te lezen zijn.
Drs. M.P.C. Muizelaar-Jacobs (auteur)
Drs. A.A.H.H. Liedtke - van Eijck
(consulent)
Geraadpleegde literatuur: