Een TIA is een voorbijgaande beroerte, Transient Ischaemic Attack. Er is een tijdelijk tekort schieten van de bloedvoorziening naar een deel van de hersenen. Hierdoor kunnen er problemen met de spraak, de kracht of het gevoel van gezicht, armen en benen ontstaan. Een TIA duurt kort, de klachten houden enkele minuten tot maximaal 24 uur aan. Als de verschijnselen langer aanwezig zijn wordt er gesproken van een beroerte. Een TIA kan op alle leeftijden voorkomen, de meeste mensen zijn echter ouder dan 65 jaar. Één op de 3000 Nederlanders krijgt een TIA, boven de 65 jaar is dat zelfs één op de 500. Mannen hebben een iets grotere kans dan vrouwen. Zonder behandeling krijgt één op de drie mensen binnen 5 jaar na een TIA een beroerte of herseninfarct.
Bij een TIA ontstaan er plotseling uitvalsverschijnselen, doordat de functie van een deel van de hersenen tekort schiet. Deze verschijnselen duren vaak enkele seconden tot minuten, ze kunnen maximaal 24 uur blijven. Als ze langer duren is er sprake van een beroerte of CVA (cerebrovasculair accident).Uitvalsverschijnselen zijn bijvoorbeeld:
Een TIA ontstaat door het tijdelijk tekort schieten van de bloedvoorziening naar een deel van de hersenen. De oorzaak is vaak een bloedstolseltje dat een bloedvaatje afsluit. De hersenen kunnen maar enkele minuten zonder zuurstof, daarna valt de functie uit en ontstaan de verschijnselen van een TIA.
Aderverkalking speelt een belangrijke rol bij het ontstaan van deze bloedstolseltjes. Er koeken vetten, kalk, bloedplaatjes en ander materiaal aan de binnenkant van de bloedvaten. Hierdoor wordt deze onregelmatig en wordt de doorsnede van het bloedvat nauwer. In het bloedvat raken gemakkelijk bloedstolseltjes los, deze kunnen verderop in een vernauwd bloedvaatje blijven steken en dit afsluiten. Het stolseltje zal na verloop van tijd uit elkaar vallen en het bloed kan weer doorstromen.
Als de afsluiting kort duurt zullen de verschijnselen weer verdwijnen. De bloedstolseltjes ontstaan vooral in de grote vaten van de hals, maar kunnen ook in het hart ontstaan wanneer het hart onregelmatig klopt. De risicofactoren voor het krijgen van een TIA zijn:
Bij jonge mensen die een TIA krijgen, kunnen er ook andere oorzaken zijn die een rol spelen:
De uitvalsverschijnselen bij een TIA zijn meestal binnen enkele minuten en hooguit binnen 24 uur weer helemaal over. U houdt er geen beschadiging van de hersenen of restverschijnselen aan over. Wel is een TIA een belangrijke waarschuwing dat de bloedvoorziening naar de hersenen bedreigd is en de kans op een beroerte groter is. Bij één op de drie mensen met een TIA volgt binnen 5 jaar een beroerte. Neem een TIA dus serieus en neem altijd contact op met uw huisarts, zodat maatregelen genomen kunnen worden om zo’n beroerte te voorkomen.
Neuroloog
Meestal zal de huisarts u op korte termijn doorverwijzen naar de neuroloog. De neuroloog zal naar uw verhaal luisteren, u vragen stellen en u neurologisch onderzoeken. Daarna zal hij onderzoeken afspreken om alle risicofactoren voor een TIA in kaart te brengen.
Risicofactoren in kaart brengen
Er zal een scan van uw hoofd gemaakt worden. Hierop kan gezien worden of u misschien al eerder een beroerte heeft doorgemaakt, zonder dat u daar last van heeft gehad. Uw bloed zal onderzocht worden op suikerziekte, te hoog cholesterol of tekenen die wijzen op een vaatontsteking. Er zal een hartfilmpje (ECG) gemaakt worden om te kijken of er sprake is van een onregelmatig hartritme en om te kijken of er problemen zijn met de bloedvoorziening van het hart zelf. Uw bloeddruk zal gemeten worden. En tot slot zal er een ECHO (doppler) onderzoek van de halsvaten gedaan worden om te kijken of er sprake is van een ernstige vernauwing van de halsslagaders.
Voorkomen nieuwe TIA en beroerte
Om zo veel als mogelijk te voorkomen dat u opnieuw een TIA of een zelfs een beroerte ontstaat, krijgt u bloedverdunners voorgeschreven. Meestal gaat het om een kinderaspirine eventueel in combinatie met een ander bloedverdunnend medicijn. Soms zijn bloedverdunnende medicijnen nodig waarvoor u ter controle naar de trombosedienst moet. Wanneer uit onderzoek is gebleken dat er sprake is van suikerziekte, overgewicht, een te hoog cholesterol of een te hoge bloeddruk zullen deze aandoeningen ook behandeld moeten worden. Soms kan dat met een dieet, maar vaak zullen hiervoor ook medicijnen nodig zijn. Roken moet u absoluut staken.
Operatie van de halsslager
Wanneer uit het ECHO (doppler) onderzoek van de halsvaten is gebleken dat u een ernstige vernauwing van de halsvaten hebt, kan een operatie nodig zijn. Tijdens deze operatie wordt het bloedvat van binnen schoongemaakt en wordt de aangekoekte plak van aderverkalking verwijderd. Het bloedvat kan dan weer normaal doorstroomd worden, ook brokkelen er minder makkelijk bloedstolseltjes vanaf. Hierdoor wordt de kans op een beroerte ook verlaagd.
Als u bij u zelf de verschijnselen van een TIA herkent moet u dezelfde dag nog contact opnemen met uw huisarts. De huisarts zal u onderzoeken en zo nodig doorverwijzen naar de neuroloog in het ziekenhuis. Door tijdig te onderzoeken waarom u een TIA heeft gehad en uw risicofactoren te behandelen kan voorkomen worden dat u een nieuwe TIA of beroerte krijgt. Neem uitvalsverschijnselen, ook al duren ze kort, dus serieus en neem contact op met uw huisarts.
Een aantal risicofactoren voor het ontstaan van een TIA kunt u zelf beïnvloeden om daarmee de kans op het krijgen van een TIA te verkleinen. Dit kunt u doen door:
Niet alle risicofactoren zijn te beïnvloeden zoals aanleg in de familie, het mannelijke geslacht of leeftijd.
Als er in de familie hart-en vaatziekten, hoge bloeddruk, suikerziekte, verhoogd cholesterolgehalte of overgewicht voorkomt heeft u een verhoogde kans om zelf ook problemen van hart- en bloedvaten, waaronder een TIA of een beroerte te krijgen. In samenspraak met uw huisarts kunt u laten nagaan of bij u deze extra risicofactoren ook aanwezig zijn. Let dan nog extra op bovengenoemde leefregels en voorkom dat u gaat roken, te dik wordt of te weinig beweegt. Voorkomen van aderverkalking is beter dan het achteraf behandelen.
Drs. J.H. Schieving (auteur)
Dr. A. Keijser (consulent)