Bevriezingen van lichaamsdelen ontstaan door sterke plaatselijke onderkoeling. Factoren die een rol spelen zijn de luchtvochtigheid, de temperatuur, de duur van de blootstelling aan koude en de mate van bescherming. In de winter komen bevriezingen vooral voor bij lange afstandsschaatsers. Het gaat daarbij vooral om vingers, tenen, oren of neus.
Er zijn drie graden van ernst. Eerstegraads bevriezing: een bleekgrijze verkleuring van de huid; er is pijn. Tweedegraads bevriezing: bleekgrijze verkleuring en blaarvorming; er is pijn. Derdegraads bevriezing: spierwitte huid, die hard aanvoelt; er is geen gevoel op de plaats van bevriezing.
Door sterke onderkoeling kunnen vooral de lichaamsdelen bevriezen die minder makkelijk door het lichaam op temperatuur kunnen worden gehouden. Deze lichaamsdelen worden aan veel kanten door lucht omgeven (neus, oren, vingers en tenen). De buitenste huidlaag bevriest en kan losraken van de onderliggende laag; er ontstaan dan blaren. In ernstigere gevallen is het hele lichaamsdeel bevroren.
De ernst van de bevriezing is afhankelijk van de uitgebreidheid, de diepte, en de plaats van de bevriezing. Ook de omgevingsomstandigheden zijn daarbij erg belangrijk. Na voorzichtig opwarmen genezen vooral de eerste- en tweedegraads bevriezingen meestal goed. De derdegraads bevriezing kan zo ernstig zijn dat een deel van het ledemaat afsterft.
Medische beoordeling is noodzakelijk bij bevriezingsletsels die na voorzichtig opwarmen niet verdwijnen.
Ga bij alle bevriezingsletsels zo mogelijk eerst naar een warme omgeving, trek natte kledingstukken uit. De bevroren lichaamsdelen moeten voorzichtig worden opgewarmd met eigen lichaamswarmte of die van een hulpverlener. Blaren moeten intact gelaten en afgedekt worden met een snelverband. Wrijf niet over de bevroren huid; dit geeft extra beschadiging.
Zorg bij koude voor warme kleding. Draag een muts met oorbescherming. Zorg dat de schoenen of schaatsen voldoende ruim zijn. Drink geen alcohol. Alcohol verwijdt de bloedvaten in de huid waardoor juist extra warmte verloren gaat.
Drs. W. van Donselaar (auteur)
Drs. H.W.J. Verblackt (consulent)