HIV

Wat is HIV?

HIV is een virus. HIV komt voor in alle lichaamsvloeistoffen, maar is eigenlijk alleen in bloed, sperma, vaginaal vocht en moedermelk voldoende aanwezig om een besmetting te kunnen veroorzaken. HIV infecteert bepaalde witte bloedcellen die een rol spelen bij het afweersysteem van de mens. Het virus komt in het DNA van deze witte bloedcellen terecht en gaat zich daar vermenigvuldigen. Deze nieuwe HIV-deeltjes infecteren weer andere witte bloedcellen die daardoor versneld afsterven of minder goed functioneren. Hierdoor neemt het afweersysteem van de mens geleidelijk af en krijgt het virus de kans zich meer te vermenigvuldigen.



Symptomen HIV

De HIV-infectie verloopt in verschillende stadia. Een aantal weken na besmetting met het virus kunnen er griepachtige verschijnselen ontstaan. Er is sprake van koorts, spierpijn, hoofdpijn en zwelling van de lymfeklieren. Soms zijn er verschijnselen zoals diarree, longontsteking, leverontsteking of afwijkingen in het centrale zenuwstelsel. Ook kan er sprake zijn van vlekkige huiduitslag en oppervlakkige slijmvlieswondjes in de mond, slokdarm of op de geslachtsdelen. De meeste symptomen zijn na één tot enkele weken spontaan verdwenen.

Daarna komt de HIV-infectie in een stadium waarbij er geen klachten optreden. Gemiddeld duurt dit stadium 8 tot 11 jaar, maar het kan ook veel korter zijn. In deze periode hoeven doorgaans geen medicijnen worden voorgeschreven. Daarna ontstaan vaak pijnloze lymfeklierzwellingen zonder verdere symptomen. Naarmate de afweer verder daalt treden moeheidsklachten, koorts, gewichtsverlies en neurologische afwijkingen zoals dementie en zenuwaantasting op. Wanneer de afweer verder daalt kunnen er allerlei infecties ontstaan die bij gezonde mensen niet voorkomen, zoals bepaalde vormen van longontsteking of problemen met het zien. In deze fase van de ziekte wordt de diagnose AIDS gesteld.

In het laatste stadium van de ziekte ontstaan tumoren zoals het Kaposi-sarcoom. Het eindstadium van AIDS bestaat meestal uit diverse infecties en/of het Kaposi-sarcoom.



Hoe ontstaat HIV?

HIV kan worden overgedragen via bloed, moedermelk, sperma en vaginaal vocht. Risicogroepen zijn mensen met veel wisselende, onbeschermde seksuele contacten, zoals sommige homoseksuele mannen, prostituées en druggebruikers die met naalden drugs toedienen. Ook hun (seksuele) partners lopen risico. Vroeger (tussen 1980 en 1986) vormden bloedtransfusies en het toedienen van bloedproducten (hemofiliepatiënten) een (gering) risico. Sindsdien wordt alle bloed gescreend en is er geen risico meer.



Is het ernstig en wat kunt u verwachten?

Indien onbehandeld is AIDS een dodelijke ziekte. Gelukkig zijn er combinaties van medicijnen beschikbaar die de virusproductie afremmen waardoor patiënten langer kunnen leven zonder ziekteverschijnselen. Er moeten veel tabletten per dag worden gebruikt en deze tabletten kunnen allerlei bijwerkingen hebben. Er is (nog) geen medicijn dat AIDS kan genezen of een vaccin om AIDS te voorkomen.



Wanneer naar de huisarts?

Wanneer u onbeschermd seksueel contact heeft gehad met een HIV-positieve patiënt is het raadzaam contact op te nemen met de huisarts. Ook wanneer u drugs gebruikt en naalden of spuiten hebt gedeeld met anderen is het verstandig om contact op te nemen met de huisarts. In overleg met de huisarts kan het raadzaam zijn u te laten testen op HIV. In dit bloedonderzoek wordt gekeken naar de aanwezigheid van antistoffen tegen HIV. Het is belangrijk te realiseren dat die antistoffen soms pas een aantal maanden na het contact met behulp van dit bloedonderzoek aangetoond kunnen worden.



Wat kunt u er zelf aan doen?

Besmetting met HIV kan worden voorkomen door de volgende maatregelen: beschermd seksueel contact met condoom, het gebruiken van schone naalden en spuiten bij druggebruik. Mensen werkzaam in de gezondheidszorg moeten prikverwondingen vermijden, voldoende steriliseren en huid- en slijmvliescontact met bloed en mogelijke besmette medische instrumenten vermijden.



Algemene adviezen en voorzorgsmaatregelen

Het is verstandig om als u meer wilt weten over seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA’s) of veilig vrijen informatie te vragen bij:

  • huisarts of de doktersassistente
  • de GGD, afdeling infektieziekten (zie plaatselijke telefoonboek), www.ggd.nl
  • Rutgers Nisso group: 0900-9398, www.rng.nl
  • AIDS-infolijn: 0900-2042040, aids.pagina.nl

Een SOA is besmettelijk voor anderen ook als je geen klachten hebt, of de klachten zo vaag zijn dat je er geen last van hebt. Je kunt dus onbedoeld en ongewild de SOA overdragen. De besmettelijkheid duurt vanaf het moment dat je de SOA oploopt totdat de behandeling is afgerond. Het is daarom belangrijk dat je je partner(s) met wie je seksueel contact gehad hebt waarschuwt, aangezien zij de SOA ook kunnen hebben hoewel ze misschien nog geen klachten hebben. Bovendien kunnen zij de SOA ook ongemerkt doorgeven. Door het waarschuwen van je partner(s) voorkom je dat de SOA verder wordt verspreid of dat deze voor anderen ernstige gevolgen krijgt. Als je het moeilijk vindt om zelf aan je seksuele partner(s) te vertellen dat je een SOA hebt, kun je contact opnemen met de sociaalverpleegkundige SOA/AIDS van de GGD. Hij/zij kan anoniem je partner waarschuwen als je daar toestemming voor geeft.



In samenwerking met

Drs. E. Teunissen (auteur)
R.H. Jamin (consulent)
Dr. W.N.M. Hustinx (consulent)



Wetenschappelijke verantwoording

  • PatiĆ«ntenfolder Seksueel Overdraagbare Aandoeningen . Nederlands Huisartsen Genootschap, Utrecht.
  • Bleker OP, Wigersma L. Compendium seksueel overdraagbare aandoeningen. Bunge, 1996.
  • Syllabus Huisartsenopleiding. Utrecht, maart 2001.
  • Lisdonk EH van de, Bosch WJHM van den. Ziekten in de huisartspraktijk. 3e dr. Elsevier/Bunge.
  • NHG standaard Herpes genitalis (M52) . Nederlands Huisartsen Genootschap, Utrecht. 1989-2000.
  • CBO richtlijn "SOA en herpes neonatorum". Ned Tijdschr Geneeskd 2003; 147: 695-8