Perenniale allergische rhinitis is een langdurige (langer dan vier weken) of zich vaak herhalende aandoening. Het gaat gepaard met klachten als een verstopte neus, een loopneus, niezen of jeuk in de neus. Deze klachten worden veroorzaakt door een allergie voor huisstofmijt of huidschilfers van dieren.
Als u klachten heeft van een verstopte neus, een loopneus en jeuk in de neus met niesbuien, en die klachten duren langer dan 4 weken, of u heeft er heel vaak last van, dan is het goed mogelijk dat u een allergische rhinitis of een hyperreactieve rhinitis heeft.
Uw klachten kunnen dan ofwel door ‘overgevoelig slijmvlies’ ofwel door een allergie voor specifieke prikkels in de lucht veroorzaakt worden.
Als uw klachten niet alleen maar in het voorjaar en/of de zomer voorkomen, dan heeft u waarschijnlijk geen hooikoorts (pollenallergie). Mensen met huisstofmijtallergie of allergie voor dieren hebben vaak in de zomer juist wat minder klachten, omdat het huis dan wat beter gelucht wordt en het leven zich meer buiten afspeelt.
Om er achter te komen of u inderdaad ergens allergisch voor bent en waar u precies allergisch voor bent kunt u het beste naar uw huisarts gaan voor onderzoek.
Bij allergische rhinitis komt het allergeen (de huisstofmijt of de huidschilfers van het huisdier) via inademing in contact met het neusslijmvlies. Onder invloed van binding van de allergenen aan IgE-antilichamen op de zogenaamde mestcellen in het neusslijmvlies komt onder andere histamine vrij in de neus. Dit histamine veroorzaakt een grotere doorgankelijkheid van de bloedvaten in de neus en prikkeling van de in de neus aanwezige zenuwuiteinden. Hierdoor ontstaat een grotere vochtuitscheiding, jeuk en niezen.
Bij ongeveer de helft van de patiënten treedt na deze directe reactie ook nog een late allergische reactie op, waarbij het slijmvlies van de neus ontstoken raakt en daardoor veel gevoeliger voor opnieuw contact met allergenen, maar ook voor rook en prikkelende geuren wordt.
In sommige families komt allergische rhinitis veel voor. Dit heeft te maken met het feit dat de neiging om allergisch te reageren op allerlei omgevingsfactoren (allergenen) erfelijk bepaald is.
Verder zijn omgevingsfactoren in de eerste levensjaren van belang, waarbij aanwijzingen zijn voor de invloed van infecties, sigarettenrook en mogelijk luchtverontreiniging.
Het voorkomen van allergische rhinitis in de huisartspraktijk is tussen 1975 en 1995 verdubbeld. De invloed van omgevingsfactoren is uitgebreid onderzocht, maar is nog niet geheel duidelijk. Er is bijvoorbeeld een onderzoek gedaan onder kinderen in voormalig Oost- en West- Berlijn. Door de val van de Berlijnse muur veranderden de omstandigheden waarin de kinderen opgroeiden. Ondanks grotere mate van luchtverontreiniging in Oost-Berlijn, kwam allergie hier aanvankelijk minder vaak voor. Na de val van de muur werden de huizen beter geïsoleerd (meer huisstofmijt), en kwamen meer huisdieren. In de jaren na de val van De Muur bleek het voorkomen van allergische rhinitis onder de Oost-Duitse jeugd snel toe te nemen.
Mogelijk speelt het te weinig doormaken van infecties op jonge leeftijd een rol.
Allergische rhinitis is een hinderlijke aandoening, maar meestal niet ernstig. U kunt er behoorlijk veel aan doen om de klachten zoveel mogelijk te beperken. Als u desondanks toch nog veel klachten heeft, kan daar met medicijnen nog een flinke verbetering in komen. Uit onderzoek blijkt dat de klachten over het algemeen in de loop van de jaren afnemen.
Als u klachten heeft die passen bij een allergische rhinitis kan uw huisarts een screenend bloedonderzoek op allergie doen. Indien deze test positief is, volgt er verdere uitsplitsing van de test. Na dit onderzoek weet u voor welke allergenen u overgevoelig bent.
De huisarts kan u nu een aantal adviezen geven om blootstelling aan dit allergeen zoveel mogelijk te voorkomen (zie: algemene adviezen en voorzorgsmaatregelen). In overleg met u kan hij besluiten om u na enige tijd (bijvoorbeeld vier weken) terug te zien om te bekijken of deze adviezen tot voldoende klachtenvermindering hebben geleid. Ook kan hij besluiten om u gelijk al medicatie voor te schrijven. In dat geval zal hij u ook terug willen zien om het effect van zowel adviezen als medicatie met u door te nemen. Indien de medicatie effectief is gebleken, kan de medicatie verminderd worden tot de laagst effectieve dosis.
Voor de medicatie kan hij kiezen uit:
Als u ernstige klachten heeft en onvoldoende geholpen bent met medicatie kan immunotherapie overwogen worden. Hiervoor zal uw huisarts u veelal naar een specialist verwijzen.
U kunt uw omgeving zoveel mogelijk stofvrij maken, om blootstelling aan de huisstofmijt te minimaliseren. Dat betekent; schoonmaken.
Gladde oppervlakken in huis moeten 2 tot driemaal per week met een vochtige doek afgenomen worden. Stofzuigen, ook 2 tot 3 maal per week is ook belangrijk, maar moet u door iemand anders laten doen, als u er zelf niet bij bent. Belangrijk is dat het huis goed droog is. In de slaapkamer heeft u een niet-stoffen vloerbedekking nodig zoals zeil of laminaat en u kunt een allergeendichte hoes voor uw matras en kussen aanschaffen. Bij uw verzekering kan vergoeding aangevraagd worden voor deze hoezen. Vergoeding voor andere sanerende maatregelen gaat, afhankelijk van de draagkracht, via de sociale dienst.
Het beddengoed (ook het dekbedovertrek of de lakens) moet minstens een maal per week gewassen worden op 60 graden. Dekens en synthetische dekbedden moeten enkele malen per jaar op 60 graden gewassen worden. In de slaapkamer moeten wasbare gordijnen hangen. Speelgoed, boeken en andere rondslingerende spullen moeten in een dichte kast worden opgeborgen.
In geval van een allergie voor een huisdier is de enige doeltreffende maatregel het dier het huis uit te doen en daarna alle tapijten, matrassen en gestoffeerde meubelen grondig stofzuigen. Ook dan kan het nog maanden duren voor de allergeenconcentratie in huis voldoende is gedaald. Als het niet mogelijk is om het huisdier weg te doen, zorg er dan in ieder geval voor dat het niet in uw slaapkamer kan komen.
Huisstofmijtallergie
Huisdierallergie
F.A. Oort (auteur)
Drs. A.M.H. Bijl (consulent)